aanbreien
werkwoord ˈambrɛijə(n)Betekenis
- door breien iets toevoegen
Hoe spreek je aanbreien uit?
/ˈambrɛijən/
Aanbreien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanbreien
aanbreienhele werkwoord — breide aanverleden tijd enkelvoud — breiden aanverleden tijd meervoud — aangebreidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | brei aan | breide aan |
| jij | breit aan | breide aan |
| hij, zij, het | breit aan | breide aan |
| wij | breien aan | breiden aan |
| jullie | breien aan | breiden aan |
| zij | breien aan | breiden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te breien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen breien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal breien | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou breien | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden breien | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt breien | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen breien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen breien | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult breien | bijzin, toekomende tijd |
| aanbrei | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbreide | bijzin, verleden tijd |
| aanbreiden | bijzin, verleden tijd |
| aanbreiend | onvoltooid, deelwoord |
| aanbreit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aangebreid | verleden tijd, deelwoord |
| aangebreid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangebreid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangebreid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebreid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebreid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebreid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangebreid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangebreid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangebreid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangebreid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brei aan | gebiedende wijs |
| breide aan | verleden tijd |
| er is aangebreid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangebreid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangebreid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangebreid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangebreid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangebreid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangebreid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangebreid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangebreid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangebreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangebreid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangebreid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangebreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangebreid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangebreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebreid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangebreid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanbreien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangebreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangebreid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangebreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangebreid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangebreid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangebreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangebreid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangebreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanbreien | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangebreid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebreid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangebreid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangebreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangebreid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebreid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangebreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanbreien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangebreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangebreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangebreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanbreien aan zou(dt) breien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanbreien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangebreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangebreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangebreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangebreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangebreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangebreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangebreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangebreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangebreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanbreien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangebreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangebreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangebreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanbreien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanbreien | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangebreid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangebreid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangebreid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangebreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangebreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangebreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangebreid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangebreid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangebreid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aanbreien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en breien ww
Woordfamilie van aanbreien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbrei | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbreien |
| aanbreide | subordinate-clause, verleden tijd | aanbreien |
| aanbreiden | subordinate-clause, verleden tijd | aanbreien |
| aanbreie | with-subordinate-clause | aanbreien |
| aanbreiend | onvoltooid deelwoord | aanbreien |
| aanbreiende | woordvorm | aanbreien |
| aanbreit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbreien |
| aangebreid | voltooid deelwoord | aanbreien |
| aangebreide | woordvorm | aanbreien |
| brei aan | gebiedende wijs | aanbreien |
| breide aan | verleden tijd | aanbreien |
| breiden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanbreien |
| breie aan | woordvorm | aanbreien |
| breien aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanbreien |
| breit aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbreien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbreien zijn vastgelegd.