aanbranden
werkwoord ˈambrɑndə(n)Betekenis
- vastzitten in of met een verbrande korst
- (van een muur- of grondvlak) met een dunne laag mortel bestrijken om nieuwe lagen beter te doen hechten
Hoe spreek je aanbranden uit?
/ˈambrɑndən/
Aanbranden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als aanbrandden.
werkwoord
- met een dunne laag mortel bestrijken om nieuwe lagen beter te doen hechten transitive
Vervoeging van aanbranden
aanbrandenhele werkwoord — brandde aanverleden tijd enkelvoud — brandden aanverleden tijd meervoud — aangebrandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | brand aan | brandde aan |
| jij | brandt aan | brandde aan |
| hij, zij, het | brandt aan | brandde aan |
| wij | branden aan | brandden aan |
| jullie | branden aan | brandden aan |
| zij | branden aan | brandden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te branden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen branden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal branden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou branden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden branden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt branden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen branden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen branden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult branden | bijzin, toekomende tijd |
| aanbrand | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbrandde | bijzin, verleden tijd |
| aanbrandden | bijzin, verleden tijd |
| aanbrandend | onvoltooid, deelwoord |
| aanbrandt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aangebrand | verleden tijd, deelwoord |
| aangebrand te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangebrand te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangebrand te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebrand te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebrand te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebrand worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangebrand zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangebrand zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangebrand zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangebrand zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brand aan | gebiedende wijs |
| brandde aan | verleden tijd |
| er is aangebrand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangebrand | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangebrand | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangebrand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangebrand worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangebrand zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangebrand worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangebrand zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebrand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangebrand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanbranden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanbranden | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanbranden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanbranden aan zou(dt) branden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanbranden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanbranden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanbranden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanbranden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aanbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en branden ww
Woordfamilie van aanbranden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbrand | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbranden |
| aanbrandde | subordinate-clause, verleden tijd | aanbranden |
| aanbrandden | subordinate-clause, verleden tijd | aanbranden |
| aanbrande | with-subordinate-clause | aanbranden |
| aanbrandend | onvoltooid deelwoord | aanbranden |
| aanbrandende | woordvorm | aanbranden |
| aanbrandt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbranden |
| brand aan | gebiedende wijs | aanbranden |
| brandde aan | verleden tijd | aanbranden |
| brandden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanbranden |
| brande aan | woordvorm | aanbranden |
| branden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanbranden |
| brandt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbranden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbranden zijn vastgelegd.