Naar de inhoud

aanbranden

vastzitten in of met een verbrande korst

aanbranden

werkwoord ˈambrɑndə(n)

Betekenis

  1. vastzitten in of met een verbrande korst
  2. (van een muur- of grondvlak) met een dunne laag mortel bestrijken om nieuwe lagen beter te doen hechten

Hoe spreek je aanbranden uit?

/ˈambrɑndən/

Aanbranden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈambrɑndən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
m maan
b bak
r rood
ɑ bad
n nek
d dak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Klinkt hetzelfde als aanbrandden.

werkwoord

  1. met een dunne laag mortel bestrijken om nieuwe lagen beter te doen hechten transitive

Vervoeging van aanbranden

aanbrandenhele werkwoord — brandde aanverleden tijd enkelvoud — brandden aanverleden tijd meervoud — aangebrandvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik brand aan brandde aan
jij brandt aan brandde aan
hij, zij, het brandt aan brandde aan
wij branden aan brandden aan
jullie branden aan brandden aan
zij branden aan brandden aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te branden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen branden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal branden bijzin, toekomende tijd
aan zou branden bijzin, voorwaardelijk
aan zouden branden bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt branden bijzin, voorwaardelijk
aan zullen branden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen branden bijzin, toekomende tijd
aan zult branden bijzin, toekomende tijd
aanbrand bijzin, tegenwoordige tijd
aanbrandde bijzin, verleden tijd
aanbrandden bijzin, verleden tijd
aanbrandend onvoltooid, deelwoord
aanbrandt bijzin, tegenwoordige tijd
aangebrand verleden tijd, deelwoord
aangebrand te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangebrand te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangebrand te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangebrand te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangebrand te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangebrand worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangebrand zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangebrand zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangebrand zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangebrand zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
brand aan gebiedende wijs
brandde aan verleden tijd
er is aangebrand impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangebrand impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangebrand impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangebrand impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangebrand worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangebrand zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangebrand worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangebrand zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangebrand actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangebrand actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanbranden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanbranden bijzin, toekomende tijd
zal aangebrand hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangebrand hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangebrand hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangebrand zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangebrand zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanbranden bijzin, voorwaardelijk
zou aangebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) aanbranden aan zou(dt) branden bijzin, voorwaardelijk
zouden aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanbranden bijzin, voorwaardelijk
zouden aangebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanbranden bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangebrand hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen aanbranden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanbranden bijzin, toekomende tijd
zullen aangebrand hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangebrand hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangebrand hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangebrand zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangebrand zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangebrand zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult aanbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van aan vz en branden ww

Woordfamilie van aanbranden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aanbrand subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanbranden
aanbrandde subordinate-clause, verleden tijd aanbranden
aanbrandden subordinate-clause, verleden tijd aanbranden
aanbrande with-subordinate-clause aanbranden
aanbrandend onvoltooid deelwoord aanbranden
aanbrandende woordvorm aanbranden
aanbrandt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanbranden
brand aan gebiedende wijs aanbranden
brandde aan verleden tijd aanbranden
brandden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanbranden
brande aan woordvorm aanbranden
branden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanbranden
brandt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanbranden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbranden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanbranden

Hoe spreek ik aanbranden uit?
Zo spreek je aanbranden uit: /ˈambrɑndə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanbranden?
Aanbranden is een werkwoord. De betekenis is: vastzitten in of met een verbrande korst. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aanbranden?
Zo vervoeg je aanbranden zo: het voltooid deelwoord is aangebrand. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanbranden is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. B 3
  5. R 2
  6. A 1
  7. N 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanbranden levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. B 4
  5. R 2
  6. A 1
  7. N 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 15 zonder bonus
  12. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanbranden in het kort

aanbranden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aanbranden staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanbranden bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanbranden: vastzitten in of met een verbrande korst
Deel aanbranden — standaardnederlands.nl