aanbraden
werkwoord ˈambradə(n)Betekenis
- even laten braden in een vet op hoog vuur zodat er een bruin korstje ontstaat en de vleessappen behouden blijven
Hoe spreek je aanbraden uit?
/ˈambradən/
Aanbraden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| r | rood |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als aanbraadden.
Vervoeging van aanbraden
aanbradenhele werkwoord — braadde aanverleden tijd enkelvoud — braadden aanverleden tijd meervoud — aangebradenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | braad aan | braadde aan |
| jij | braadt aan | braadde aan |
| hij, zij, het | braadt aan | braadde aan |
| wij | braden aan | braadden aan |
| jullie | braden aan | braadden aan |
| zij | braden aan | braadden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te braden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen braden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal braden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou braden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden braden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt braden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen braden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen braden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult braden | bijzin, toekomende tijd |
| aanbraad | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbraadde | bijzin, verleden tijd |
| aanbraadden | bijzin, verleden tijd |
| aanbraadt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanbradend | onvoltooid, deelwoord |
| aangebraden | verleden tijd, deelwoord |
| aangebraden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangebraden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangebraden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebraden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebraden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangebraden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangebraden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangebraden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangebraden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangebraden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| braad aan | gebiedende wijs |
| braadde aan | verleden tijd |
| er is aangebraden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangebraden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangebraden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangebraden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangebraden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangebraden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangebraden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangebraden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangebraden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangebraden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangebraden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangebraden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangebraden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangebraden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangebraden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebraden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangebraden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanbraden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangebraden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangebraden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangebraden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangebraden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangebraden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangebraden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangebraden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangebraden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanbraden | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangebraden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebraden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangebraden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangebraden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebraden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangebraden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangebraden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangebraden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanbraden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangebraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangebraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangebraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangebraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangebraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanbraden aan zou(dt) braden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanbraden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangebraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangebraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangebraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangebraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangebraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangebraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangebraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangebraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangebraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanbraden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangebraden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangebraden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangebraden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanbraden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanbraden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangebraden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangebraden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangebraden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangebraden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangebraden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangebraden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangebraden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangebraden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangebraden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aanbraden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en braden ww
Woordfamilie van aanbraden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbraad | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbraden |
| aanbraadde | subordinate-clause, verleden tijd | aanbraden |
| aanbraadden | subordinate-clause, verleden tijd | aanbraden |
| aanbraadt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanbraden |
| aanbrade | with-subordinate-clause | aanbraden |
| aanbradend | onvoltooid deelwoord | aanbraden |
| aanbradende | woordvorm | aanbraden |
| aangebraden | voltooid deelwoord | aanbraden |
| braad aan | gebiedende wijs | aanbraden |
| braadde aan | verleden tijd | aanbraden |
| braadden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanbraden |
| braadt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanbraden |
| brade aan | woordvorm | aanbraden |
| braden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanbraden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbraden zijn vastgelegd.