Naar de inhoud

Taalgidsen en spelling: boeken over correct Nederlands

Twijfel je tussen wordt en word, tussen pannenkoek en pannekoek, of weet je niet zeker of er een komma moet staan? Een taalgids geeft je snel duidelijkheid. Hieronder vind je boeken over spelling en correct Nederlands, van compacte naslagwerken tot uitgebreide gidsen. Onder het overzicht lees je hoe de officiële spelling in elkaar zit, welke kwesties het vaakst voor verwarring zorgen en waar je op let bij het kiezen van een taalgids.

Wat is de officiële spelling van het Nederlands?

De spelling van het Nederlands wordt vastgesteld door de Nederlandse Taalunie, de organisatie waarin Nederland, Vlaanderen en Suriname samenwerken op het gebied van de Nederlandse taal. De officiële spelling bestaat uit twee delen: de spellingregels, die uitleggen volgens welke principes woorden geschreven worden, en de Woordenlijst Nederlandse Taal, die van een groot aantal woorden de juiste schrijfwijze geeft. Die woordenlijst is beter bekend als het Groene Boekje, naar de kleur van de omslag. Je kunt de woordenlijst ook online raadplegen.

In Nederland en Vlaanderen is de officiële spelling verplicht voor de overheid en in het onderwijs. Voor iedereen anders is ze niet wettelijk voorgeschreven, maar in de praktijk volgen de meeste uitgeverijen, kranten, bedrijven en schrijvers haar wel. Schrijf je een sollicitatiebrief, een scriptie of een zakelijke e-mail, dan doe je er dus goed aan je aan dezelfde regels te houden.

Naast het Groene Boekje bestaat het Witte Boekje van het Genootschap Onze Taal. Dat sluit grotendeels aan bij de officiële spelling, maar wijkt op enkele punten af, onder meer bij de tussen-n. Kies je een boek over spelling, kijk dan even welk van de twee systemen het volgt.

Spelling en taaladvies: niet hetzelfde

De officiële spelling gaat alleen over de vraag hoe je een woord schrijft. Of het pannenkoek of pannekoek is, of je ideeën met een trema schrijft en of er in auto's een apostrof hoort: dat zijn spellingvragen. Veel taalvragen gaan echter niet over spelling, maar over grammatica, woordkeuze of stijl. Is het groter als of groter dan? Mag je hun hebben zeggen? Is het de of het bij een bepaald woord? Op zulke vragen geeft de spellingregeling geen antwoord.

Daarvoor bestaat taaladvies. Een taaladvies beschrijft wat in de standaardtaal gebruikelijk en aanvaard is, en maakt vaak onderscheid tussen formeel en informeel taalgebruik of tussen Nederland en Vlaanderen. Het antwoord is daarbij niet altijd simpelweg goed of fout: soms zijn twee vormen allebei correct, maar past de ene beter in een formele tekst. Een goede taalgids behandelt zowel spelling als taaladvies, en maakt duidelijk welk van de twee je op een bepaald moment voor je hebt.

Veelvoorkomende spellingskwesties

D, t of dt

De bekendste struikelsteen is de werkwoordspelling. In de tegenwoordige tijd krijgt de stam een t bij hij, zij en het, en bij jij of je als dat woord vóór het werkwoord staat: ik word, hij wordt, jij wordt, maar word jij. Staat jij achter het werkwoord, dan vervalt de t. Verwarring ontstaat ook bij het voltooid deelwoord: het is gebeurd eindigt op een d, maar het gebeurt vaak is een persoonsvorm en krijgt een t.

Voor de verleden tijd van zwakke werkwoorden gebruik je het ezelsbruggetje 't kofschip. Eindigt de stam op een van de medeklinkers uit dat woord, dan krijg je -te en -t: werken, werkte, gewerkt en fietsen, fietste, gefietst. In de andere gevallen krijg je -de en -d: horen, hoorde, gehoord. Let op werkwoorden als verhuizen en leven: je kijkt naar de klank in het hele werkwoord, dus verhuisde en leefde.

De tussen-n in samenstellingen

Of je in een samenstelling -e- of -en- schrijft, hangt af van het meervoud van het eerste deel. Heeft dat woord alleen een meervoud op -en, dan schrijf je -en-: boekenkast, pannenkoek, ruggengraat. Hoe je het woord uitspreekt, speelt daarbij geen rol. Heeft het eerste deel geen meervoud, dan schrijf je alleen een e, zoals in rijstebrij. Op deze hoofdregel bestaan uitzonderingen, en juist daarom grijpen veel mensen naar de woordenlijst.

Aaneen of los

Samenstellingen schrijf je in het Nederlands aaneen: voetbalclub, tandartsassistent, boodschappenlijstje. Het los schrijven van zulke woorden, zoals tandarts assistent, is een veelvoorkomende fout. Een koppelteken gebruik je onder meer als er klinkers op elkaar botsen die verkeerd gelezen kunnen worden, zoals in zee-egel en auto-ongeluk, en bij samenstellingen met een afkorting, zoals tv-programma en cd-speler.

Leestekens, apostrof en trema

De apostrof gebruik je in het meervoud van woorden die eindigen op een lange klinker, zoals auto's, menu's, baby's en pizza's. Woorden op een toonloze e krijgen geen apostrof: tantes, garages. Ook bij de bezits-s komt de apostrof terug: Anna's fiets, maar Jans fiets. Het trema geeft aan dat een nieuwe lettergreep begint, zoals in ideeën, zeeën en geïnteresseerd. Bij komma's is het Nederlands minder streng dan veel mensen denken; een komma tussen bijzin en hoofdzin, zoals in Als het regent, blijf ik thuis, is gebruikelijk en maakt de zin beter leesbaar. Voor hoofdletters geldt onder meer dat dagen en maanden klein worden geschreven (maandag, januari), maar namen van talen met een hoofdletter (Nederlands, Frans).

Waarom een taalgids handig is

Online kun je veel opzoeken, maar een taalgids heeft een paar duidelijke voordelen. Een gids legt niet alleen uit hoe een woord geschreven wordt, maar ook waarom. Wie de regel achter verhuisde of pannenkoek begrijpt, hoeft de volgende keer niet opnieuw te zoeken. Daarnaast brengt een taalgids samenhang aan: verwante kwesties staan bij elkaar, met voorbeelden en vaak een overzicht van de meest gemaakte fouten.

Een taalgids is ook prettig voor wie veel schrijft: studenten, docenten, journalisten, communicatiemedewerkers, vertalers en iedereen die op het werk teksten opstelt. Op papier kun je snel bladeren, aantekeningen maken en een hoofdstuk rustig doorlezen. Voor wie het Nederlands als tweede taal leert, biedt een taalgids bovendien houvast bij regels die moedertaalsprekers vaak intuïtief toepassen.

Waar je op let bij het kiezen van een taalgids

Taalgidsen verschillen sterk in opzet en omvang. Met deze punten kies je een boek dat bij je past:

  • Actualiteit: de spelling is in de loop der jaren enkele keren aangepast. Kies een uitgave die de huidige officiële spelling volgt, anders leer je mogelijk verouderde schrijfwijzen aan.
  • Spellingsysteem: controleer of het boek de officiële spelling van het Groene Boekje volgt of de afwijkende keuzes van het Witte Boekje.
  • Soort boek: een woordenlijst is handig om snel de schrijfwijze van één woord te controleren; een naslagwerk met uitleg helpt je de regels te begrijpen; een oefenboek is geschikt als je gericht wilt trainen, bijvoorbeeld op d/t-fouten.
  • Taaladvies: wil je ook antwoord op vragen over grammatica, woordkeuze en stijl, kies dan een gids die meer behandelt dan spelling alleen.
  • Nederland of Vlaanderen: sommige gidsen gaan uitgebreid in op verschillen tussen het Nederlands in Nederland en in Vlaanderen. Dat is nuttig als je voor lezers in beide gebieden schrijft.
  • Toegankelijkheid: let op een duidelijk register, heldere voorbeelden en een overzichtelijke indeling. Een gids die je snel kunt doorzoeken, gebruik je in de praktijk veel vaker.

Twijfel je over één woord, dan is een woordenlijst vaak genoeg. Wil je structureel beter schrijven, dan heb je meer aan een gids die de regels stap voor stap uitlegt en laat zien hoe ze in echte zinnen werken.

Meer boeken over de Nederlandse taal