Naar de inhoud

Geschiedenis van het Nederlands: boeken en achtergrond

Hoe is het Nederlands ontstaan, en waarom klinkt het zo anders dan het Duits of het Engels, terwijl die talen familie zijn? Boeken over de geschiedenis van het Nederlands nemen je mee van de Germaanse wortels via het Middelnederlands naar de standaardtaal van nu. Hieronder vind je een selectie boeken over taalgeschiedenis, gevolgd door een overzicht van de belangrijkste perioden en ontwikkelingen in de geschiedenis van het Nederlands.

Germaanse wortels: waar het Nederlands vandaan komt

Het Nederlands is een West-Germaanse taal. Het hoort bij dezelfde familie als het Engels, het Duits en het Fries, en verder terug bij de grote Indo-Europese taalfamilie, waartoe ook het Latijn, het Grieks en de Slavische talen behoren. Die verwantschap zie je nog altijd in gewone woorden: vader, moeder, broer en water hebben duidelijke tegenhangers in het Engels en het Duits.

Het Nederlands ontwikkelde zich uit de taal van Frankische stammen in het gebied rond de Rijn, de Maas en de Schelde. Taalkundigen spreken daarom van het Nederfrankisch. Een belangrijk verschil met het Duits is dat het Nederlands de zogenoemde Hoogduitse klankverschuiving niet heeft meegemaakt. Daardoor zeg je in het Nederlands maken, appel, tien en dorp, waar een Duitser machen, Apfel, zehn en Dorf zegt. Op dat punt staat het Nederlands dichter bij het Engels: make, apple, ten.

Oudnederlands, Middelnederlands en Nieuwnederlands

Taalhistorici delen de geschiedenis van het Nederlands meestal in drie grote perioden in. De grenzen zijn niet scherp, want een taal verandert geleidelijk, maar de indeling helpt om de ontwikkeling te overzien.

Oudnederlands

Uit de oudste periode is weinig overgeleverd. Er werd vooral in het Latijn geschreven, en teksten in de volkstaal zijn schaars. Een bekend voorbeeld zijn de Wachtendonckse psalmen, een vertaling van psalmteksten. De bekendste Oudnederlandse zin is een korte regel die een monnik als pennenproef in een Latijns handschrift schreef:

Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu, wat unbidan we nu?

Vrij vertaald: alle vogels zijn met hun nesten begonnen, behalve ik en jij, waar wachten we nog op? Je herkent er woorden in die nog steeds bestaan, zoals vogel, nest, ik en wat. Over het precieze dialect van de schrijver discussiëren taalkundigen nog, maar de zin geldt al lang als symbool voor het begin van de Nederlandse schrijftaal.

Middelnederlands

In de middeleeuwen ontstond een rijke literatuur in de volkstaal. Denk aan het dierenepos Van den vos Reynaerde, de gedichten van Hadewijch, het werk van Jacob van Maerlant en de Marialegende Beatrijs. Er bestond nog geen eenheidstaal: schrijvers gebruikten hun eigen streektaal, en dezelfde woorden werden op veel manieren gespeld. De taal werd toen vaak Diets of Duuts genoemd. Vlaanderen en Brabant waren met hun rijke steden lange tijd de belangrijkste centra. Het Middelnederlands kende nog naamvallen, die je nu alleen nog in vaste uitdrukkingen terugziet, zoals ten slotte, in koelen bloede en des duivels.

Nieuwnederlands

Vanaf de zestiende eeuw spreken taalkundigen van Nieuwnederlands. Het zwaartepunt verschoof in die tijd naar het noorden. Na de val van Antwerpen in 1585 trokken veel kooplieden, drukkers en geleerden uit het zuiden naar Holland, waar ze hun taalgebruik meebrachten. In de Republiek groeide zo een schrijftaal die invloeden uit verschillende gewesten combineerde. Geleerden en dichters probeerden die taal te beschrijven en te verrijken, onder meer met Nederlandse woorden voor wetenschappelijke begrippen. Simon Stevin wordt bijvoorbeeld in verband gebracht met woorden als wiskunde en loodrecht.

De Statenvertaling en de weg naar één standaardtaal

Een belangrijke rol in die ontwikkeling speelde de Statenvertaling, de Bijbelvertaling waartoe de Synode van Dordrecht opdracht gaf en die in 1637 verscheen. De vertalers kwamen uit verschillende delen van het taalgebied en zochten bewust naar een taal die overal begrepen kon worden. Doordat de Statenbijbel eeuwenlang in kerken en gezinnen werd gelezen, droeg hij bij aan een gedeelde schrijftaal. Hoe groot die invloed precies was, is onder taalkundigen een punt van discussie. Wel staat vast dat veel uitdrukkingen die je nog dagelijks hoort uit de Bijbel komen, zoals zijn handen in onschuld wassen, een wolf in schaapskleren, de eerste steen werpen en zijn licht onder de korenmaat zetten.

Spelling en regels

Een vaste, officiële spelling kwam pas veel later. In het begin van de negentiende eeuw kreeg Nederland met de spelling van Matthijs Siegenbeek voor het eerst een officiële spelling. Later in die eeuw legden De Vries en Te Winkel de basis voor een gemeenschappelijke spelling voor Nederland en Vlaanderen. Wie oude boeken leest, ziet nog vormen als mensch en visch; die werden in de twintigste eeuw vereenvoudigd tot mens en vis. Sinds 1954 bestaat de Woordenlijst Nederlandse Taal, door de kleur van de kaft beter bekend als het Groene Boekje. Sinds de oprichting van de Nederlandse Taalunie in 1980 regelen Nederland en Vlaanderen de spelling samen; later sloot ook Suriname aan. De spellingherziening van 1995 is bij veel mensen bekend door de nieuwe schrijfwijze pannenkoek in plaats van pannekoek.

Nederlands in Nederland, Vlaanderen, Suriname en het Caribisch gebied

Het Nederlands is de officiële taal van Nederland en een van de officiële talen van België, waar het in Vlaanderen en, naast het Frans, in Brussel gesproken wordt. Er is één standaardtaal met één spelling, maar binnen die standaard bestaan duidelijke regionale verschillen. In Vlaanderen zeg je gsm, frigo en voetpad, in Nederland eerder mobieltje, koelkast en stoep. Een Vlaming heeft goesting in iets, een Nederlander heeft er zin in. Ook in de uitspraak hoor je verschil, bijvoorbeeld de zachte g in het zuiden tegenover de hardere g in het noorden.

In Suriname is het Nederlands de officiële taal en de taal van onderwijs, bestuur en media. Daarnaast spreken veel Surinamers dagelijks andere talen, zoals het Sranantongo, het Sarnami en het Surinaams-Javaans. Het Surinaams-Nederlands heeft daardoor een eigen woordenschat en een eigen klank. Op de eilanden in het Caribisch gebied die bij het Koninkrijk der Nederlanden horen, is het Nederlands ook een officiële taal, maar in het dagelijks leven overheersen er andere talen: het Papiaments op Aruba, Bonaire en Curaçao, en het Engels op Sint-Maarten, Sint-Eustatius en Saba.

Afrikaans, Fries en de dialecten

Afrikaans als dochtertaal

Het Afrikaans ontstond uit het Nederlands dat vanaf de zeventiende eeuw aan de Kaap werd gesproken door kolonisten die met de Verenigde Oost-Indische Compagnie meekwamen. In contact met andere talen, waaronder de talen van tot slaaf gemaakte mensen en van de oorspronkelijke bewoners, ontwikkelde het zich tot een zelfstandige taal met een eigen standaard. Het Afrikaans is in veel opzichten eenvoudiger dan het Nederlands: er is één bepaald lidwoord, die, werkwoorden worden nauwelijks vervoegd (ek is, jy is, hy is) en de ontkenning is dubbel: Ek is nie moeg nie. Als Nederlandstalige kun je geschreven Afrikaans vaak redelijk goed volgen, maar het is geen dialect van het Nederlands: het is een aparte taal.

Het Fries: een eigen taal

Ook het Fries is geen dialect van het Nederlands, maar een zelfstandige West-Germaanse taal. Het wordt vooral in de provincie Friesland (Fryslân) gesproken en is in Nederland officieel erkend. Het Fries heeft een eigen spelling en een eigen literatuur. Historisch deelt het een aantal kenmerken met het Engels, wat je merkt aan een bekend rijmpje dat begint met bûter, brea en griene tsiis: boter, brood en groene kaas, in het Engels butter, bread and green cheese.

Dialecten en streektalen

Naast de standaardtaal bestaat er een grote variatie aan dialecten: het West-Vlaams, het Brabants, het Limburgs, het Zeeuws, het Gronings en het Twents, om er een paar te noemen. In het noordoosten van Nederland spreekt men Nedersaksische dialecten, die nauw verwant zijn aan het Nederduits aan de andere kant van de grens. Het Nedersaksisch en het Limburgs zijn in Nederland erkend als streektaal. Dialecten bewaren vaak oude woorden en klanken die uit de standaardtaal verdwenen zijn, en zijn daarom voor taalhistorici een belangrijke bron.

Wat een boek over taalgeschiedenis je laat zien

Een goed boek over de geschiedenis van het Nederlands maakt zichtbaar dat de taal die je dagelijks spreekt het resultaat is van eeuwen verandering. Je ontdekt waarom we de en het hebben, waar sterke werkwoorden als zwemmen, zwom, gezwommen vandaan komen en waarom het meervoud soms op -en en soms op -s eindigt. Je leert ook hoe leenwoorden de woordenschat verrijkten: muur en venster komen uit het Latijn, bureau en trottoir uit het Frans, en computer en weekend uit het Engels.

Er bestaan verschillende soorten boeken over dit onderwerp, en het loont om te kiezen wat bij je past:

  • Overzichtswerken vertellen de geschiedenis van het begin tot nu en zijn geschikt als je een samenhangend beeld wilt krijgen.
  • Studieboeken gaan dieper in op klankveranderingen, grammatica en taalkundige methoden. Ze zijn bedoeld voor studenten, maar ook bruikbaar als je je echt wilt verdiepen.
  • Etymologische woordenboeken beschrijven per woord de herkomst. Handig als je vooral nieuwsgierig bent naar afzonderlijke woorden.
  • Populaire boeken over taal brengen de geschiedenis in korte hoofdstukken en met veel voorbeelden, vaak met aandacht voor opvallende woorden en uitdrukkingen.

Let bij het kiezen op een paar dingen. Kijk of het boek oude teksten laat zien en uitlegt, want juist daardoor ga je de ontwikkeling begrijpen. Ga na of zowel Nederland als Vlaanderen aan bod komen, en of ook Suriname, de Caribische eilanden en het Afrikaans behandeld worden als je daarin geïnteresseerd bent. Een register en een verklarende woordenlijst maken een boek bruikbaar als naslagwerk. En kies een recente uitgave als je wilt weten hoe er nu over taalgeschiedenis gedacht wordt: het onderzoek staat niet stil, en inzichten over bijvoorbeeld de herkomst van woorden worden geregeld bijgesteld.

Meer boeken over de Nederlandse taal