NT2-boeken: Nederlands leren als tweede taal (A1 tot C2)
Wil je Nederlands leren als tweede taal, of help je iemand anders daarbij? Een goed boek geeft houvast, of je nu op les zit of zelfstandig studeert. Hieronder vind je NT2-boeken voor verschillende niveaus: lesmethodes, werkboeken, grammaticaboeken en woordenboeken. Daaronder lees je wat NT2 precies is, hoe de niveaus van A1 tot en met C2 in elkaar zitten en waar je op let bij het kiezen van een boek.
-
Handboek Nederlands als tweede taal in het volwassenenonderwijs
-
Nederlands als 2e taal in het basisonderwijs
-
Nederlands als tweede taal in het basisonderwijs
-
Van Dale Pocketwoordenboek Nederlands als tweede taal (NT2)
-
Nederlands Als Tweede Taal En Cdrom Pock
-
Zebra+ deel 2 Werkboek
-
Zebra+ deel 3 Werkboek
-
Nederlands als tweede taal in de volwasseneneducatie
-
Alfa 1b Werkboek
-
Zebra+ 1 Werkboek
-
Kleine didaktiek voor het Nederlands als tweede taal
-
Het schoolvak Nederlands onderzocht - een inventarisatie van onderzoek naar onderwijs Nederlands als eerste en tweede taal in Nederland en Vlaanderen
Wat is NT2?
NT2 staat voor Nederlands als tweede taal. Het gaat om mensen die Nederlands leren terwijl ze in Nederland of Vlaanderen wonen, naast hun moedertaal. Ze horen de taal dagelijks om zich heen: op het werk, in de winkel, op school en bij de huisarts. Daarmee verschilt NT2 van Nederlands als vreemde taal, de term die meestal wordt gebruikt voor mensen die Nederlands leren buiten het Nederlandse taalgebied, bijvoorbeeld aan een universiteit in het buitenland. Mensen voor wie Nederlands de moedertaal is, leren NT1.
Omdat NT2-leerders de taal direct nodig hebben, ligt in lesmateriaal voor deze groep vaak de nadruk op praktische situaties: een afspraak maken, een formulier invullen, een gesprek voeren met de buren of solliciteren.
De niveaus van A1 tot en met C2
Voor het beschrijven van taalvaardigheid wordt in Europa het Europees Referentiekader gebruikt, vaak afgekort als ERK. Het kader verdeelt taalbeheersing in zes niveaus, die in drie groepen vallen:
- A1 en A2, de basisgebruiker: je begrijpt en gebruikt eenvoudige, alledaagse zinnen. Je kunt jezelf voorstellen, iets bestellen en eenvoudige vragen stellen en beantwoorden over vertrouwde onderwerpen.
- B1 en B2, de onafhankelijke gebruiker: je redt je in de meeste situaties van het dagelijks leven, je kunt een gesprek voeren over bekende onderwerpen en je begrijpt de hoofdzaken van duidelijke teksten. Op B2 volg je ook ingewikkeldere teksten en discussies en praat je vrij vloeiend.
- C1 en C2, de vaardige gebruiker: je gebruikt de taal flexibel en nauwkeurig, ook in studie en werk, en je begrijpt lange, complexe teksten en impliciete betekenissen.
Het ERK kijkt naar verschillende vaardigheden, zoals lezen, luisteren, schrijven, spreken en gesprekken voeren. Je kunt op die onderdelen een verschillend niveau hebben: veel leerders lezen bijvoorbeeld beter dan ze spreken. Op de meeste NT2-boeken staat vermeld voor welk niveau ze bedoeld zijn, zodat je gericht kunt kiezen.
Inburgering en het Staatsexamen NT2
In Nederland moeten veel nieuwkomers inburgeren. Het leren van de Nederlandse taal is daar een belangrijk onderdeel van. Welk taalniveau precies van je verwacht wordt en welke route je volgt, hangt af van je persoonlijke situatie. De regels voor inburgering kunnen bovendien veranderen. Raadpleeg daarom altijd de officiële instanties voor wat er op dit moment voor jou geldt.
Daarnaast bestaat het Staatsexamen Nederlands als tweede taal. Dat is een officieel examen waarmee je laat zien dat je het Nederlands op een bepaald niveau beheerst. Het examen kent twee programma's, het ene op niveau B1 en het andere op niveau B2, en toetst de vaardigheden lezen, luisteren, schrijven en spreken. Een diploma op het juiste niveau kan van belang zijn voor werk of een vervolgopleiding. Wie zich op een examen voorbereidt, heeft naast een gewone lesmethode vaak baat bij een boek met oefenmateriaal in de vorm van het examen.
Lastige punten voor wie Nederlands leert
Elke leerder loopt tegen andere dingen aan, afhankelijk van de moedertaal. Toch zijn er onderdelen van het Nederlands die bijna iedereen moeite kosten.
De of het
Het Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden: de en het. Welk lidwoord bij een woord hoort, kun je meestal niet aan de betekenis zien: het is de tafel maar het bed, de man maar het kind. Er zijn wel een paar vaste regels. Verkleinwoorden zijn altijd het-woorden (het huisje, het meisje), meervouden krijgen altijd de (de huizen), en een hele werkwoordsvorm die als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt is een het-woord (het lopen, het eten). Het lidwoord heeft ook gevolgen voor het bijvoeglijk naamwoord: een grote tafel, maar een groot bed. De meeste leerders moeten het lidwoord daarom per woord leren.
Woordvolgorde
In een Nederlandse hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede plaats. Begin je de zin met iets anders dan het onderwerp, dan komt het onderwerp achter het werkwoord: Ik ga morgen naar Utrecht wordt Morgen ga ik naar Utrecht. In een bijzin staan de werkwoorden juist achteraan: omdat ik morgen naar Utrecht ga. Bij samengestelde tijden staat het tweede werkwoord achteraan in de zin, zodat er veel tussen de werkwoorden kan staan: Ik heb gisteren in de stad een nieuw boek gekocht.
Scheidbare werkwoorden
Werkwoorden als opbellen, meenemen en afspreken vallen in een hoofdzin uit elkaar: Ik bel je morgen op. In een bijzin blijven ze bij elkaar (omdat ik je morgen opbel), in het voltooid deelwoord komt ge ertussen (opgebeld) en bij te ook (om je op te bellen). Andere werkwoorden met een voorvoegsel zijn juist niet scheidbaar, zoals herhalen en verstaan. Soms bestaan beide vormen naast elkaar met een andere betekenis en klemtoon: Dat komt vaak voor (vóórkomen) tegenover Zo voorkom je fouten (voorkómen).
Uitspraak: de g, ui, eu en ij
De g en ch in woorden als goed, gracht en acht klinken voor veel leerders ongewoon. In grote delen van Nederland klinkt deze klank hard en schurend, in het zuiden van Nederland en in Vlaanderen zachter. Ook de klinkers zijn een uitdaging. De ui in huis en uit, de eu in neus en deur en de ij en ei in wijn en klein (die hetzelfde klinken) komen in veel andere talen niet voor. Daarnaast is het verschil tussen korte en lange klinkers belangrijk voor de betekenis: man en maan, zon en zoon, bus en buur.
Het woordje er
Het kleine woord er heeft verschillende functies, en dat maakt het lastig. Het kan een plaats aanduiden (Ik woon er al jaren), samengaan met een getal (Ik heb er drie), een zin beginnen met een onbepaald onderwerp (Er staat een man voor de deur), verwijzen naar iets wat al genoemd is in combinatie met een voorzetsel (Ik denk erover na, Ik wacht erop) en voorkomen in een zin in de lijdende vorm zonder onderwerp (Er wordt gedanst).
Soorten NT2-boeken
Er is veel lesmateriaal voor NT2, en elk soort boek heeft een eigen rol.
- Lesmethode: een cursusboek dat je stap voor stap door de taal leidt, met hoofdstukken rond thema's, teksten, dialogen, woordenlijsten en grammatica. Vaak hoort er luistermateriaal bij.
- Werkboek: extra oefeningen bij een lesmethode of los te gebruiken. Voor zelfstudie is een antwoordsleutel belangrijk.
- Grammaticaboek: een overzicht van de regels met uitleg en voorbeelden, om naast een lesmethode te gebruiken of om iets op te zoeken. Er zijn grammatica's met uitleg in het Nederlands en grammatica's met uitleg in een andere taal.
- Woordenschatboek: woorden geordend per thema of naar hoe vaak ze voorkomen, vaak met oefeningen om ze te onthouden.
- Woordenboek: een tweetalig woordenboek of een zakwoordenboek voor NT2, waarin woorden in eenvoudig Nederlands worden uitgelegd, met het lidwoord, de meervoudsvorm en voorbeeldzinnen.
- Leesboeken op niveau: verhalen en teksten in eenvoudiger Nederlands, waarmee je je woordenschat en leesvaardigheid vergroot.
Zelfstudie of les, en waar je op let bij het kiezen
Je kunt Nederlands leren in een groep, met een docent, of zelfstandig. Les geeft structuur, feedback op je uitspraak en schrijfwerk en de kans om te oefenen met anderen. Zelfstudie is flexibel en past bij wie een vaste lestijd lastig vindt. Veel leerders combineren beide: een lesmethode in de cursus en daarnaast een werkboek, grammatica of woordenboek om thuis mee verder te gaan. Wat je ook kiest, spreek zo veel mogelijk Nederlands in het dagelijks leven, want daar leer je de taal echt gebruiken.
Bij het kiezen van een boek let je op de volgende punten:
- Niveau: kies een boek dat aansluit bij je huidige niveau of net iets daarboven. Kijk naar de ERK-aanduiding op het boek.
- Taal van de uitleg: beginners hebben vaak baat bij uitleg in hun eigen taal of in het Engels; gevorderden leren meer van uitleg in het Nederlands.
- Geluidsmateriaal: luisteren en uitspraak oefen je niet met alleen tekst. Controleer of er audio bij het boek hoort en hoe je die kunt beluisteren.
- Antwoorden: studeer je zelfstandig, dan heb je een antwoordsleutel nodig om je werk na te kijken.
- Nederland of Vlaanderen: woordgebruik en uitspraak verschillen tussen beide gebieden. Kies bij voorkeur materiaal dat past bij de plek waar je woont.
- Doel: wil je je redden in het dagelijks leven, op je werk Nederlands spreken of een examen halen? Er zijn algemene methodes en boeken die zich op één doel richten.
- Spelling: kies een boek dat de officiële spelling volgt, zodat je de woorden meteen goed leert schrijven.
Met een boek dat bij je niveau en je doel past, en met veel oefening in het dagelijks leven, zet je steeds grotere stappen in het Nederlands.