Naar de inhoud

zwichten

toegeven, wijken; het moeten afleggen

zwichten is meer dan één woord

zwichten

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. toegeven, wijken; het moeten afleggen
  2. het aanpassen van de zeilvoering op de wieken i.v.m. de windsterkte

Vervoeging van zwichten

zwichtenhele werkwoord — zwichtteverleden tijd enkelvoud — zwichttenverleden tijd meervoud — gezwichtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zwicht zwichtte
jij zwicht zwichtte
hij, zij, het zwicht zwichtte
wij zwichten zwichtten
jullie zwichten zwichtten
zij zwichten zwichtten
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben gezwicht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gezwicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gezwicht impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was gezwicht impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd gezwicht impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt gezwicht impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gezwicht worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gezwicht zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou gezwicht worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou gezwicht zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
gezwicht verleden tijd, deelwoord
gezwicht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gezwicht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gezwicht te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezwicht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezwicht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezwicht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gezwicht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gezwicht zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gezwicht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gezwicht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hebben gezwicht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is gezwicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gezwicht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben/zijn gezwicht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen zwichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
te zwichten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
waart gezwicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gezwicht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gezwicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gezwicht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gezwicht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gezwicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gezwicht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gezwicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gezwicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gezwicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gezwicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gezwicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gezwicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gezwicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gezwicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gezwicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gezwicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gezwicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gezwicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gezwicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gezwicht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezwicht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zwichten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal zwichten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal zwichten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gezwicht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gezwicht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gezwicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gezwicht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gezwicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezwicht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezwicht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezwicht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou zwichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou zwichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou zwichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gezwicht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gezwicht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gezwicht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden zwichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden zwichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden zwichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gezwicht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt zwichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gezwicht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gezwicht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gezwicht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zwichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen zwichten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen zwichten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen zwichten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gezwicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gezwicht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult zwichten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zwicht gebiedende wijs
zwichte aanvoegende wijs
zwichtend onvoltooid, deelwoord
zwichtte verleden tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord zwicht

Herkomst

In de betekenis van ‘wijken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401

Woordfamilie van zwichten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gezwicht voltooid deelwoord zwichten
gezwichte woordvorm zwichten
zwichte aanvoegende wijs zwichten
zwichtend onvoltooid deelwoord zwichten
zwichtende woordvorm zwichten
zwichtte verleden tijd zwichten
zwichtten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon zwichten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwichten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over zwichten

Wat is de betekenis van zwichten?
Zwichten is een werkwoord. De betekenis is: toegeven, wijken; het moeten afleggen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik zwichten?
Zo vervoeg je zwichten zo: de tegenwoordige tijd is zwicht, de verleden tijd is zwichtte en het voltooid deelwoord is gezwicht. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord zwichten is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. Z 4
  2. W 5
  3. I 1
  4. C 5
  5. H 4
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

zwichten levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. Z 5
  2. W 5
  3. I 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 25 zonder bonus
  10. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

zwichten in het kort

zwichten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van zwichten staan er 62 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort zwichten bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

zwichten: toegeven, wijken; het moeten afleggen
Deel zwichten — standaardnederlands.nl