zwichten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- toegeven, wijken; het moeten afleggen
- het aanpassen van de zeilvoering op de wieken i.v.m. de windsterkte
Vervoeging van zwichten
zwichtenhele werkwoord — zwichtteverleden tijd enkelvoud — zwichttenverleden tijd meervoud — gezwichtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwicht | zwichtte |
| jij | zwicht | zwichtte |
| hij, zij, het | zwicht | zwichtte |
| wij | zwichten | zwichtten |
| jullie | zwichten | zwichtten |
| zij | zwichten | zwichtten |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben gezwicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezwicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezwicht | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gezwicht | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gezwicht | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gezwicht | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gezwicht worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gezwicht zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gezwicht worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gezwicht zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwicht | verleden tijd, deelwoord |
| gezwicht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezwicht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezwicht te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwicht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwicht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwicht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezwicht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezwicht zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezwicht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezwicht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gezwicht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is gezwicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezwicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben/zijn gezwicht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwichten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| waart gezwicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezwicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezwicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezwicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezwicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezwicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezwicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezwicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezwicht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwicht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezwicht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gezwicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezwicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezwicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezwicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezwicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezwicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezwicht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwicht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwicht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezwicht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zwicht | gebiedende wijs |
| zwichte | aanvoegende wijs |
| zwichtend | onvoltooid, deelwoord |
| zwichtte | verleden tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zwicht
Herkomst
In de betekenis van ‘wijken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401
Woordfamilie van zwichten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezwicht | voltooid deelwoord | zwichten |
| gezwichte | woordvorm | zwichten |
| zwichte | aanvoegende wijs | zwichten |
| zwichtend | onvoltooid deelwoord | zwichten |
| zwichtende | woordvorm | zwichten |
| zwichtte | verleden tijd | zwichten |
| zwichtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwichten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwichten zijn vastgelegd.