zwezerik
zelfstandig naamwoordBetekenis
- klierachtig, hormoonvormend orgaan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zwezeriken | meervoud |
| zwezerikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zwezerikjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘borstklier van een kalf (gegeten als delicatesse)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1701
Woordfamilie van zwezerik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zwezeriken | meervoud | zwezerik |
| zwezerikje | verkleinwoord | zwezerik |
| zwezerikjes | verkleinwoord meervoud | zwezerik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwezerik zijn vastgelegd.