zwellen
werkwoordBetekenis
- in volume toenemen
Vervoeging van zwellen
zwellenhele werkwoord — zwolverleden tijd enkelvoud — zwollenverleden tijd meervoud — gezwollenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwel | zwol |
| jij | zwelt | zwol |
| hij, zij, het | zwelt | zwol |
| wij | zwellen | zwollen |
| jullie | zwellen | zwollen |
| zij | zwellen | zwollen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gezwollen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezwollen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwollen | verleden tijd, deelwoord |
| gezwollen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwollen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gezwollen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezwollen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn gezwollen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| waart gezwollen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezwollen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezwollen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezwollen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezwollen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezwollen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezwollen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gezwollen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwollen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezwollen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezwollen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gezwollen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezwollen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezwollen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezwollen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezwollen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwollen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwollen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwollen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwollen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwollen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwollen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwollen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwollen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwollen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwollen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zwel | gebiedende wijs |
| zwelle | aanvoegende wijs |
| zwellend | onvoltooid, deelwoord |
| zwol | verleden tijd |
Herkomst
In de betekenis van ‘uitzetten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van zwellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zwel | gebiedende wijs | zwellen |
| zwelle | aanvoegende wijs | zwellen |
| zwellend | onvoltooid deelwoord | zwellen |
| zwellende | woordvorm | zwellen |
| zwelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwellen |
| zwol | verleden tijd | zwellen |
| zwollen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwellen zijn vastgelegd.