zwelgen
werkwoord /zʋɛlɣə(n)/Betekenis
- gulzig, onmatig opeten of -drinken
- zich onmatig verlustigen, zich te buiten gaan aan
Hoe spreek je zwelgen uit?
/zwɛlxən/
Zwelgen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| l | land |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van zwelgen
zwelgenhele werkwoord — zwolgverleden tijd enkelvoud — zwolgenverleden tijd meervoud — gezwolgenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwelg | zwolg |
| jij | zwelgt | zwolg |
| hij, zij, het | zwelgt | zwolg |
| wij | zwelgen | zwolgen |
| jullie | zwelgen | zwolgen |
| zij | zwelgen | zwolgen |
Alle 64 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gezwolgen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezwolgen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezwolgen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezwolgen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezwolgen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezwolgen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezwolgen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezwolgen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwolgen | verleden tijd, deelwoord |
| gezwolgen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwolgen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezwolgen* | verleden tijd, deelwoord |
| had gezwolgen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezwolgen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezwolgen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezwolgen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezwolgen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezwolgen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezwolgen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwolgen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwolgen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezwolgen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwelgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwelgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zal gezwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gezwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwolgen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwelgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwolgen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwelgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zwelg | gebiedende wijs |
| zwelge | aanvoegende wijs |
| zwelgend | onvoltooid, deelwoord |
| zwolg* | verleden tijd |
Herkomst
erfwoord van Middelnederlands swelghen "gulzig opeten of -drinken; doorslikken", uit Oergermaans *swelgan- "zwelgen, verslinden", in de betekenis van ‘zich te buiten gaan aan’ aangetroffen vanaf 1240; cognaat met Duits schwelgen "zich te buiten gaan aan; (vero.) zwelgen", Fries swolgje "zwelgen" en Engels swallow "doorslikken"
Woordfamilie van zwelgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezwolgen | voltooid deelwoord | zwelgen |
| zwelg | gebiedende wijs | zwelgen |
| zwelge | aanvoegende wijs | zwelgen |
| zwelgend | onvoltooid deelwoord | zwelgen |
| zwelgende | woordvorm | zwelgen |
| zwelgt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwelgen |
| zwolg | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | zwelgen |
| zwolgen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwelgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwelgen zijn vastgelegd.