zwabberen
werkwoord /ˈzwɑbərə(n)/Betekenis
- heen en weer bewegen, zwalken
- het reinigen met een zwabber
Hoe spreek je zwabberen uit?
/ˈzwɑbərən/
Zwabberen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| b | bak |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zwabberen
zwabberenhele werkwoord — zwabberdeverleden tijd enkelvoud — zwabberdenverleden tijd meervoud — gezwabberdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwabber | zwabberde |
| jij | zwabbert | zwabberde |
| hij, zij, het | zwabbert | zwabberde |
| wij | zwabberen | zwabberden |
| jullie | zwabberen | zwabberden |
| zij | zwabberen | zwabberden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezwabberd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezwabberd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezwabberd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezwabberd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezwabberd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezwabberd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezwabberd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezwabberd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwabberd | verleden tijd, deelwoord |
| gezwabberd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezwabberd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezwabberd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwabberd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwabberd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwabberd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezwabberd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezwabberd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezwabberd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezwabberd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezwabberd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezwabberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezwabberd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezwabberd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezwabberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezwabberd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezwabberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwabberd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezwabberd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwabberen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwabberen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| waart gezwabberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezwabberd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezwabberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezwabberd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezwabberd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezwabberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezwabberd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezwabberd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gezwabberd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwabberd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezwabberd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezwabberd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwabberd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezwabberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezwabberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwabberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwabberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwabberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwabberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwabberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwabberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwabberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwabberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezwabberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwabberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwabberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwabberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezwabberd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwabberd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwabberd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwabberd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezwabberd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwabberd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwabberd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwabberen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwabberd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezwabberd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezwabberd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwabberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zwabber | gebiedende wijs |
| zwabberde | verleden tijd |
| zwabbere | aanvoegende wijs |
| zwabberend | onvoltooid, deelwoord |
Herkomst
In de betekenis van ‘zwaaien, zwieren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1868
Woordfamilie van zwabberen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezwabberd | voltooid deelwoord | zwabberen |
| gezwabberde | woordvorm | zwabberen |
| zwabberde | verleden tijd | zwabberen |
| zwabberden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwabberen |
| zwabbere | aanvoegende wijs | zwabberen |
| zwabberende | woordvorm | zwabberen |
| zwabbert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwabberen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwabberen zijn vastgelegd.