zwachtel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈzwɑxtəl/Betekenis
- een lange, smalle strook dun textiel voor het verbinden van een wond
Hoe spreek je zwachtel uit?
/ˈzwɑxtəl/
Zwachtel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zwachtels | meervoud |
| zwachteltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zwachteltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwachtelen
- gebiedende wijs van zwachtelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwachtelen
Vervoeging van zwachtel
zwachtelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘windsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1421
Woordfamilie van zwachtel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zwachtels | meervoud | zwachtel |
| zwachteltje | verkleinwoord | zwachtel |
| zwachteltjes | verkleinwoord meervoud | zwachtel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwachtel zijn vastgelegd.