zondigen
werkwoord /zɔndəɣə(n)/Betekenis
- het overtreden van een religieuze wet
Hoe spreek je zondigen uit?
/zɔndəxən/
Zondigen bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| x | acht |
Vervoeging van zondigen
zondigenhele werkwoord — zondigdeverleden tijd enkelvoud — zondigdenverleden tijd meervoud — gezondigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zondig | zondigde |
| jij | zondigt | zondigde |
| hij, zij, het | zondigt | zondigde |
| wij | zondigen | zondigden |
| jullie | zondigen | zondigden |
| zij | zondigen | zondigden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezondigd | verleden tijd, deelwoord |
| gezondigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezondigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezondigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezondigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezondigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezondigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezondigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezondigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezondigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezondigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezondigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zondigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zondigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zondig | gebiedende wijs |
| zondigde | verleden tijd |
| zondige | aanvoegende wijs |
| zondigend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zondigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zonde begaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van zondigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezondigd | voltooid deelwoord | zondigen |
| zondigde | verleden tijd | zondigen |
| zondigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zondigen |
| zondigend | onvoltooid deelwoord | zondigen |
| zondigende | woordvorm | zondigen |
| zondigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zondigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zondigen zijn vastgelegd.