zondig
bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- goddelijke voorschriften of verboden schendend
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zondige | verbogen, stellende trap |
| zondiger | onverbogen, vergrotende trap |
| zondigere | verbogen, vergrotende trap |
| zondigers | partitief, vergrotende trap |
| zondigs | partitief, stellende trap |
| zondigst | onverbogen, overtreffende trap |
| zondigste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zondigen
- gebiedende wijs van zondigen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zondigen
Vervoeging van zondig
zondighele werkwoord
Herkomst
afgeleid van zonde met het achtervoegsel -ig
Woordfamilie van zondig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zondigere | verbogen vergrotende trap | zondig |
| zondigs | partitive, positive | zondig |
| zondigst | uninflected, superlative | zondig |
| zondigste | inflected, superlative | zondig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zondig zijn vastgelegd.