Naar de inhoud

zolderen

een zoldering aanbrengen

zolderen

werkwoord

Betekenis

  1. een zoldering aanbrengen
  2. op zolder zetten ter berging
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van zolderen

zolderenhele werkwoord — zolderdeverleden tijd enkelvoud — zolderdenverleden tijd meervoud — gezolderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zolder zolderde
jij zoldert zolderde
hij, zij, het zoldert zolderde
wij zolderen zolderden
jullie zolderen zolderden
zij zolderen zolderden
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is gezolderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gezolderd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gezolderd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gezolderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gezolderd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gezolderd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gezolderd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gezolderd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gezolderd verleden tijd, deelwoord
gezolderd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gezolderd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gezolderd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezolderd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezolderd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezolderd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gezolderd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gezolderd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gezolderd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gezolderd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gezolderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gezolderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gezolderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gezolderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gezolderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gezolderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gezolderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gezolderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezolderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gezolderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezolderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gezolderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gezolderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezolderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezolderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gezolderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gezolderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zolderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen zolderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren gezolderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gezolderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gezolderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden gezolderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden gezolderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gezolderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal gezolderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezolderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gezolderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gezolderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gezolderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal zolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal zolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gezolderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zolder gebiedende wijs
zolderde verleden tijd
zoldere aanvoegende wijs
zolderend onvoltooid, deelwoord
zou gezolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gezolderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gezolderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou zolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou zolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou zolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gezolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gezolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gezolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gezolderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gezolderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden zolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden zolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden zolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gezolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt zolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gezolderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gezolderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gezolderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gezolderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gezolderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zolderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen zolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen zolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen zolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gezolderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult zolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van zolderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gezolderd voltooid deelwoord zolderen
gezolderde woordvorm zolderen
zolderde verleden tijd zolderen
zolderden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon zolderen
zoldere aanvoegende wijs zolderen
zolderend onvoltooid deelwoord zolderen
zolderende woordvorm zolderen
zoldert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon zolderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zolderen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over zolderen

Wat is de betekenis van zolderen?
Zolderen is een werkwoord. De betekenis is: een zoldering aanbrengen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik zolderen?
Zo vervoeg je zolderen zo: de tegenwoordige tijd is zolder, de verleden tijd is zolderde en het voltooid deelwoord is gezolderd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord zolderen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. Z 4
  2. O 1
  3. L 3
  4. D 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

zolderen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. Z 5
  2. O 1
  3. L 3
  4. D 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

zolderen in het kort

zolderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van zolderen staan er 65 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort zolderen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

zolderen: een zoldering aanbrengen
Deel zolderen — standaardnederlands.nl