zolder
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈzɔldər/Betekenis
- een houten vloer over een balklaag
- de ruimte tussen de bovenste vloer en de onderste kapspanten, plaats om goederen op te slaan
- ruimte onder een (schuin) dak
Hoe spreek je zolder uit?
/ˈzɔldər/
Zolder bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɔ | bot |
| l | land |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zolders | meervoud |
| zoldertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zoldertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zolderen
- gebiedende wijs van zolderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zolderen
Vervoeging van zolder
zolderhele werkwoord
Herkomst
Van Oudnederlands solre (< Latijn solarium). In de betekenis van ‘bovenste verdieping’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1237
Woordfamilie van zolder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zolders | meervoud | zolder |
| zoldertje | verkleinwoord | zolder |
| zoldertjes | verkleinwoord meervoud | zolder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zolder zijn vastgelegd.