zetelen
werkwoordBetekenis
- zitten
- als parlementslid werken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van zetelen
zetelenhele werkwoord — zeteldeverleden tijd enkelvoud — zeteldenverleden tijd meervoud — gezeteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zetel | zetelde |
| jij | zetelt | zetelde |
| hij, zij, het | zetelt | zetelde |
| wij | zetelen | zetelden |
| jullie | zetelen | zetelden |
| zij | zetelen | zetelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezeteld | verleden tijd, deelwoord |
| gezeteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezeteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezeteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezeteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezeteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezeteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezeteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezeteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezeteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezeteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezeteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zetelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zetelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zetel | gebiedende wijs |
| zetelde | verleden tijd |
| zetele | aanvoegende wijs |
| zetelend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zetelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zetelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van zetel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van zetelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezeteld | voltooid deelwoord | zetelen |
| zetelde | verleden tijd | zetelen |
| zetelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zetelen |
| zetele | aanvoegende wijs | zetelen |
| zetelend | onvoltooid deelwoord | zetelen |
| zetelende | woordvorm | zetelen |
| zetelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zetelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zetelen zijn vastgelegd.