zemelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈzemələ(n)Betekenis
- zeuren, langdurig doorpraten over iets dat van weinig belang is
- ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen, die overblijven bij het tot meel malen van graankorrels
- de vulling met hulsjes van graankorrels geleidelijk verliezen
- in fijne deeltjes omlaag dwarrelen
Hoe spreek je zemelen uit?
/ˈzemələn/
Zemelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| e | veel |
| m | maan |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als roggezemelen.
Vervoeging van zemelen
zemelenhele werkwoord — zemeldeverleden tijd enkelvoud — zemeldenverleden tijd meervoud — gezemeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zemel | zemelde |
| jij | zemelt | zemelde |
| hij, zij, het | zemelt | zemelde |
| wij | zemelen | zemelden |
| jullie | zemelen | zemelden |
| zij | zemelen | zemelden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] zemelen | canonical |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezemeld | verleden tijd, deelwoord |
| gezemeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezemeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezemeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezemeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezemeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezemeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezemeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezemeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zemelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zemelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zemel | gebiedende wijs |
| zemelde | verleden tijd |
| zemele | aanvoegende wijs |
| zemelend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zemelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zemel
Vervoeging van zemelen
zemelenhele werkwoord — gezemeldvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] zemelen | canonical |
| gezemeld | verleden tijd, deelwoord |
| zemelde | verleden tijd |
Woordfamilie van zemelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezemeld | voltooid deelwoord | zemelen |
| zemelde | verleden tijd | zemelen |
| zemelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zemelen |
| zemele | aanvoegende wijs | zemelen |
| zemelend | onvoltooid deelwoord | zemelen |
| zemelende | woordvorm | zemelen |
| zemelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zemelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zemelen zijn vastgelegd.