zemel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈzeməlBetekenis
- huls en kiem van een graankorrel die bij het malen daarvan worden afgescheiden en fijngemaakt
- iets of iemand die minderwaardig wordt gevonden
- iemand die veel klaagt of praat over onbelangrijke dingen
Hoe spreek je zemel uit?
/ˈzeməl/
Zemel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| e | veel |
| m | maan |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zemelen | enkelvoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zemels | enkelvoud |
| zemeltje | verkleinwoord |
| zemeltjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemelen
- gebiedende wijs van zemelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemelen
Vervoeging van zemel
zemelhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] zemel | canonical |
Woordfamilie van zemel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zemels | enkelvoud | zemel |
| zemeltje | verkleinwoord | zemel |
| zemeltjes | verkleinwoord | zemel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zemel zijn vastgelegd.