hemel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈɦeːməl/Betekenis
- lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
- de gelukzalige toestand of plaats waar God verblijft of de goden verblijven, waar mensen na de dood heen kunnen gaan
- een zeer aangename plek of toestand
- baldakijn
Hoe spreek je hemel uit?
/ˈheməl/
Hemel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| e | veel |
| m | maan |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hemelen | enkelvoud |
| hemels | enkelvoud |
| hemeltje | verkleinwoord |
| hemeltjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hemelen
- gebiedende wijs van hemelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hemelen
Vervoeging van hemel
hemelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘firmament’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van hemel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hemeltje | verkleinwoord | hemel |
| hemeltjes | verkleinwoord | hemel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hemel zijn vastgelegd.