zaniken
werkwoord, zelfstandig naamwoord /zanəkə(n)/Betekenis
- hinderlijk ergens over blijven klagen
Hoe spreek je zaniken uit?
/zanəkən/
Zaniken bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| a | maan |
| n | nek |
| ə | de |
| k | kat |
Vervoeging van zaniken
zanikenhele werkwoord — zanikteverleden tijd enkelvoud — zaniktenverleden tijd meervoud — gezaniktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zanik | zanikte |
| jij | zanikt | zanikte |
| hij, zij, het | zanikt | zanikte |
| wij | zaniken | zanikten |
| jullie | zaniken | zanikten |
| zij | zaniken | zanikten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezanikt | verleden tijd, deelwoord |
| gezanikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezanikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezanikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezanikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezanikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezanikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezanikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezanikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezanikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezanikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezanikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezanikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezanikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezanikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezanikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezanikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezanikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezanikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zaniken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zaniken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezanikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezanikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezanikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zanik | gebiedende wijs |
| zanike | aanvoegende wijs |
| zanikend | onvoltooid, deelwoord |
| zanikte | verleden tijd |
| zou gezanikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezanikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezanikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezanikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezanikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezanikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezanikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezanikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezanikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezanikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zaniken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezanikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zaniken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zanik
Herkomst
In de betekenis van ‘zeuren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1809
Woordfamilie van zaniken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezanikt | voltooid deelwoord | zaniken |
| zanike | aanvoegende wijs | zaniken |
| zanikend | onvoltooid deelwoord | zaniken |
| zanikende | woordvorm | zaniken |
| zanikt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zaniken |
| zanikte | verleden tijd | zaniken |
| zanikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zaniken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zaniken zijn vastgelegd.