| - |
impersonal, passief
|
| ben gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| bent gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| er is gezaligd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
|
| er was gezaligd |
impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
|
| er werd gezaligd |
impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
|
| er wordt gezaligd |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
|
| er zal gezaligd worden |
impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
|
| er zal gezaligd zijn |
impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
|
| er zou gezaligd worden |
impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
|
| er zou gezaligd zijn |
impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
|
| ev. |
gebiedende wijs
|
| gezaligd |
verleden tijd, deelwoord
|
| gezaligd te worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| gezaligd te zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| gezaligd te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gezaligd te zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gezaligd te zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gezaligd worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| gezaligd zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| gezaligd zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| gezaligd zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| gezaligd zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had gezaligd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had gezaligd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had gezaligd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden gezaligd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden gezaligd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden gezaligd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt gezaligd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gezaligd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| is gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| is gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| te hebben gezaligd |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zaligen |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen zaligen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| waart gezaligd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren gezaligd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| waren gezaligd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren gezaligd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| was gezaligd |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| was gezaligd |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| was gezaligd |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werd gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| werd gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
|
| werd gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| werden gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
|
| werden gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
|
| werden gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werdt gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| word gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| worden gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
|
| worden gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
|
| worden gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| wordt gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
|
| wordt gezaligd |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zal gezaligd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gezaligd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal gezaligd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zal gezaligd zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gezaligd zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zalig |
gebiedende wijs
|
| zaligde |
verleden tijd
|
| zalige |
aanvoegende wijs
|
| zaligend |
onvoltooid, deelwoord
|
| zijn gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| zijn gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zijn gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| zijt gezaligd |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zou gezaligd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gezaligd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gezaligd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zou gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gezaligd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gezaligd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gezaligd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden gezaligd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gezaligd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gezaligd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden gezaligd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gezaligd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gezaligd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt gezaligd hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt gezaligd zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen gezaligd hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gezaligd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gezaligd hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen gezaligd zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gezaligd zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gezaligd zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen zaligen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult gezaligd hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult gezaligd worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult gezaligd zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult zaligen |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|