Naar de inhoud

zaligen

rechtvaardigen tegenover God

zaligen is meer dan één woord

zaligen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. rechtvaardigen tegenover God

Vervoeging van zaligen

zaligenhele werkwoord — zaligdeverleden tijd enkelvoud — zaligdenverleden tijd meervoud — gezaligdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zalig zaligde
jij zaligt zaligde
hij, zij, het zaligt zaligde
wij zaligen zaligden
jullie zaligen zaligden
zij zaligen zaligden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gezaligd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gezaligd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gezaligd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gezaligd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gezaligd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gezaligd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gezaligd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gezaligd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gezaligd verleden tijd, deelwoord
gezaligd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gezaligd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gezaligd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezaligd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezaligd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezaligd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gezaligd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gezaligd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gezaligd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gezaligd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gezaligd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gezaligd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gezaligd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gezaligd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gezaligd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gezaligd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gezaligd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezaligd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gezaligd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zaligen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen zaligen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gezaligd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gezaligd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gezaligd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gezaligd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gezaligd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gezaligd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gezaligd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gezaligd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gezaligd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gezaligd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gezaligd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gezaligd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gezaligd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gezaligd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gezaligd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gezaligd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gezaligd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gezaligd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gezaligd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gezaligd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gezaligd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezaligd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gezaligd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gezaligd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezaligd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zaligen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal zaligen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal zaligen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zalig gebiedende wijs
zaligde verleden tijd
zalige aanvoegende wijs
zaligend onvoltooid, deelwoord
zijn gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gezaligd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gezaligd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezaligd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezaligd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezaligd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezaligd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezaligd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou zaligen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou zaligen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou zaligen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gezaligd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gezaligd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gezaligd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gezaligd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gezaligd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gezaligd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden zaligen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden zaligen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden zaligen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gezaligd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gezaligd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt zaligen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gezaligd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gezaligd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gezaligd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gezaligd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gezaligd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gezaligd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zaligen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen zaligen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen zaligen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen zaligen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gezaligd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gezaligd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gezaligd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult zaligen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord zalige

Woordfamilie van zaligen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gezaligd voltooid deelwoord zaligen
gezaligde woordvorm zaligen
zaligde verleden tijd zaligen
zaligden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon zaligen
zaligend onvoltooid deelwoord zaligen
zaligende woordvorm zaligen
zaligt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon zaligen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zaligen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over zaligen

Wat betekent zaligen?
Zaligen is een werkwoord. Het woord betekent: rechtvaardigen tegenover God.
Hoe vervoeg je zaligen?
Je vervoegt zaligen als volgt: de tegenwoordige tijd is zalig, de verleden tijd is zaligde en het voltooid deelwoord is gezaligd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord zaligen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. Z 4
  2. A 1
  3. L 3
  4. I 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

zaligen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 118 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. Z 5
  2. A 1
  3. L 3
  4. I 2
  5. G 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 zonder bonus
  9. 118 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

zaligen telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

zaligen in het kort

zaligen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van zaligen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort zaligen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

zaligen: rechtvaardigen tegenover God
Deel zaligen — standaardnederlands.nl