zalf
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈzɑlᵊfBetekenis
- smeerbare massa om op de huid aan te brengen verkrijgbaar bij drogisterij of apotheek
- welriekend olieachtig smeersel, gebruikt bij plechtigheden
Hoe spreek je zalf uit?
/ˈzɑləf/
Zalf bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| f | fiets |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zalfje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zalfjes | verkleinwoord, meervoud |
| zalven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zalven
- gebiedende wijs van zalven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zalven
Vervoeging van zalf
zalfhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘smeersel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van zalf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zalfje | verkleinwoord | zalf |
| zalfjes | verkleinwoord meervoud | zalf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zalf zijn vastgelegd.