zalven
werkwoord, zelfstandig naamwoord /zɑlvə(n)/Betekenis
- met zalf bestrijken
- het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
- het spreken op een overdreven preektoon
Hoe spreek je zalven uit?
/zɑlvən/
Zalven bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɑ | bad |
| l | land |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van zalven
zalvenhele werkwoord — zalfdeverleden tijd enkelvoud — zalfdenverleden tijd meervoud — gezalfdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zalf | zalfde |
| jij | zalft | zalfde |
| hij, zij, het | zalft | zalfde |
| wij | zalven | zalfden |
| jullie | zalven | zalfden |
| zij | zalven | zalfden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezalfd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezalfd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezalfd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezalfd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezalfd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezalfd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezalfd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezalfd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezalfd | verleden tijd, deelwoord |
| gezalfd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezalfd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezalfd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezalfd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezalfd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezalfd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezalfd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezalfd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezalfd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezalfd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezalfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezalfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezalfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezalfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezalfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezalfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezalfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezalfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezalfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zalven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zalven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezalfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezalfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezalfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezalfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezalfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezalfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezalfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezalfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gezalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezalfd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezalfd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zalf | gebiedende wijs |
| zalfde | verleden tijd |
| zalve | aanvoegende wijs |
| zalvend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezalfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezalfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezalfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezalfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezalfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezalfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezalfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezalfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezalfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zalven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezalfd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezalfd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezalfd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zalven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezalfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezalfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezalfd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zalven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zalf
Woordfamilie van zalven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezalfd | voltooid deelwoord | zalven |
| zalfde | verleden tijd | zalven |
| zalfden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zalven |
| zalft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zalven |
| zalve | aanvoegende wijs | zalven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zalven zijn vastgelegd.