Naar de inhoud

worstelen

een vorm van lichamelijke strijd waarbij men de tegenstander op de rug tracht te leggen

worstelen

werkwoord ˈwɔrstələ(n)

Betekenis

  1. een vorm van lichamelijke strijd waarbij men de tegenstander op de rug tracht te leggen
  2. overdrachtelijk een moeizame en gedurige strijd leveren

Hoe spreek je worstelen uit?

/ˈwɔrstələn/

Worstelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈwɔrstələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
w quiz
ɔ bot
r rood
s sok
t tak
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een moeizame en gedurige strijd leveren figuratively, unergative

Vervoeging van worstelen

worstelenhele werkwoord — worsteldeverleden tijd enkelvoud — worsteldenverleden tijd meervoud — geworsteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik worstel worstelde
jij worstelt worstelde
hij, zij, het worstelt worstelde
wij worstelen worstelden
jullie worstelen worstelden
zij worstelen worstelden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geworsteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geworsteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geworsteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geworsteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geworsteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geworsteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geworsteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geworsteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geworsteld verleden tijd, deelwoord
geworsteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geworsteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geworsteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geworsteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geworsteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geworsteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geworsteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geworsteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geworsteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geworsteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geworsteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geworsteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geworsteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geworsteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geworsteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geworsteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geworsteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geworsteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te worstelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen worstelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
worstel gebiedende wijs
worstelde verleden tijd
worstele aanvoegende wijs
worstelend onvoltooid, deelwoord
zal geworsteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geworsteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geworsteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal worstelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal worstelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal worstelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geworsteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geworsteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geworsteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou worstelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou worstelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou worstelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geworsteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geworsteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geworsteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden worstelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden worstelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden worstelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geworsteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt worstelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geworsteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geworsteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geworsteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen worstelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen worstelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen worstelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen worstelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geworsteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult worstelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

van Middelnederlands worstelen, in de betekenis van ‘strijden’ aangetroffen vanaf 1240

Woordfamilie van worstelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geworsteld voltooid deelwoord worstelen
worstel gebiedende wijs worstelen
worstelde verleden tijd worstelen
worstelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon worstelen
worstele aanvoegende wijs worstelen
worstelend onvoltooid deelwoord worstelen
worstelende woordvorm worstelen
worstelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon worstelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van worstelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over worstelen

Hoe spreek ik worstelen uit?
Zo spreek je worstelen uit: /ˈwɔrstələ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van worstelen?
Worstelen is een werkwoord. De betekenis is: een vorm van lichamelijke strijd waarbij men de tegenstander op de rug tracht te leggen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik worstelen?
Zo vervoeg je worstelen zo: de tegenwoordige tijd is worstel, de verleden tijd is worstelde en het voltooid deelwoord is geworsteld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord worstelen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. O 1
  3. R 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

worstelen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. O 1
  3. R 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

worstelen in het kort

worstelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van worstelen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort worstelen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

worstelen: een vorm van lichamelijke strijd waarbij men de tegenstander op de rug tracht te leggen
Deel worstelen — standaardnederlands.nl