Naar de inhoud

winkelen

van winkel tot winkel gaan en inkopen doen

winkelen

werkwoord

Betekenis

  1. van winkel tot winkel gaan en inkopen doen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van winkelen

winkelenhele werkwoord — winkeldeverleden tijd enkelvoud — winkeldenverleden tijd meervoud — gewinkeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik winkel winkelde
jij winkelt winkelde
hij, zij, het winkelt winkelde
wij winkelen winkelden
jullie winkelen winkelden
zij winkelen winkelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gewinkeld verleden tijd, deelwoord
gewinkeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewinkeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gewinkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gewinkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gewinkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gewinkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gewinkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gewinkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gewinkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gewinkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewinkeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gewinkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewinkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gewinkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gewinkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewinkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewinkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gewinkeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te winkelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen winkelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
winkel gebiedende wijs
winkelde verleden tijd
winkele aanvoegende wijs
winkelend onvoltooid, deelwoord
zal gewinkeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewinkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gewinkeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal winkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal winkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal winkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gewinkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewinkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewinkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou winkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou winkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou winkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gewinkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewinkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewinkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden winkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden winkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden winkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gewinkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt winkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gewinkeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gewinkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gewinkeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen winkelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen winkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen winkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen winkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gewinkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult winkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van winkel met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van winkelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gewinkeld voltooid deelwoord winkelen
winkelde verleden tijd winkelen
winkelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon winkelen
winkele aanvoegende wijs winkelen
winkelend onvoltooid deelwoord winkelen
winkelende woordvorm winkelen
winkelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon winkelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van winkelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over winkelen

Wat is de betekenis van winkelen?
Winkelen is een werkwoord. De betekenis is: van winkel tot winkel gaan en inkopen doen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik winkelen?
Zo vervoeg je winkelen zo: de tegenwoordige tijd is winkel, de verleden tijd is winkelde en het voltooid deelwoord is gewinkeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord winkelen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. I 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

winkelen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. I 2
  3. N 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

winkelen in het kort

winkelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van winkelen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort winkelen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

winkelen: van winkel tot winkel gaan en inkopen doen
Deel winkelen — standaardnederlands.nl