welven
werkwoordBetekenis
- het geleidelijk buigen van een gebogen oppervlak
- (Gebouwen, vertrekken e.d.) van een gewelf voorzien. Ook in fig. verband
- zich ~: een lichte boogvorm vertonen, zich buigen, een boog maken
werkwoord
- van een gewelf voorzien. Ook in fig. verband
Vervoeging van welven
welvenhele werkwoord — welfdeverleden tijd enkelvoud — welfdenverleden tijd meervoud — gewelfdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | welf | welfde |
| jij | welft | welfde |
| hij, zij, het | welft | welfde |
| wij | welven | welfden |
| jullie | welven | welfden |
| zij | welven | welfden |
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewelfd | verleden tijd, deelwoord |
| gewelfd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewelfd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewelfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewelfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewelfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewelfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewelfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewelfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewelfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewelfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewelfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewelfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewelfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewelfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewelfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewelfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewelfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewelfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te welven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen welven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| welf | gebiedende wijs |
| welf me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| welf u/je , welft je | gebiedende wijs |
| welfde | verleden tijd |
| welfde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| welfde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| welfde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| welfde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| welfde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| welfde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| welfde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| welfden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| welfden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| welfden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| welft je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| welft u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| welft u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| welft zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| welft zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| welft zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| welve | aanvoegende wijs |
| welve zich | aanvoegende wijs |
| welven je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| welven ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| welven zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| welvend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gewelfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewelfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewelfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me welven | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal welven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal welven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal welven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich welven | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je welven | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gewelfd hebben | verleden tijd |
| zich welvend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gewelfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewelfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewelfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou welven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou welven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou welven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewelfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewelfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewelfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden welven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden welven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden welven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewelfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt welven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewelfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewelfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewelfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je welven | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons welven | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen welven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen welven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen welven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen welven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich welven | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult gewelfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult u welven | tweede persoon |
| zult u welven | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult welven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult zich/u welven | tweede persoon |
| zult zich/u welven | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘zich buigen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van welven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| welf | gebiedende wijs | welven |
| welfde | verleden tijd | welven |
| welfden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | welven |
| welft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | welven |
| welve | aanvoegende wijs | welven |
| welvend | onvoltooid deelwoord | welven |
| welvende | woordvorm | welven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van welven zijn vastgelegd.