Naar de inhoud

wegspringen

zich springend verwijderen

wegspringen

werkwoord

Betekenis

  1. zich springend verwijderen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van wegspringen

wegspringenhele werkwoord — sprong wegverleden tijd enkelvoud — sprongen wegverleden tijd meervoud — weggesprongenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spring weg sprong weg
jij springt weg sprong weg
hij, zij, het springt weg sprong weg
wij springen weg sprongen weg
jullie springen weg sprongen weg
zij springen weg sprongen weg
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben weggesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent weggesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is weggesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is weggesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
spring weg gebiedende wijs
sprong weg verleden tijd
te zijn weggesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wegspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart weggesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weggesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren weggesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weggesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was weggesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was weggesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was weggesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
weg te springen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
weg te zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
weg zal springen bijzin, toekomende tijd
weg zou springen bijzin, voorwaardelijk
weg zouden springen bijzin, voorwaardelijk
weg zoudt springen bijzin, voorwaardelijk
weg zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
weg zullen springen bijzin, toekomende tijd
weg zult springen bijzin, toekomende tijd
weggesprongen verleden tijd, deelwoord
weggesprongen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
weggesprongen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
wegspring bijzin, tegenwoordige tijd
wegspringend onvoltooid, deelwoord
wegspringt bijzin, tegenwoordige tijd
wegsprong bijzin, verleden tijd
wegsprongen bijzin, verleden tijd
zal weggesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal weggesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal weggesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal wegspringen bijzin, toekomende tijd
zijn weggesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn weggesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn weggesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn weggesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt weggesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou weggesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou weggesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou weggesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou wegspringen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) wegspringen weg zou(dt) springen bijzin, voorwaardelijk
zouden weggesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden weggesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden weggesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden wegspringen bijzin, voorwaardelijk
zoudt weggesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt wegspringen bijzin, voorwaardelijk
zullen weggesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen weggesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen weggesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen wegspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen wegspringen bijzin, toekomende tijd
zult weggesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult wegspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult wegspringen bijzin, toekomende tijd
zult/zal wegspringen weg zult/zal springen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van weg bw en springen

Woordfamilie van wegspringen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
spring weg gebiedende wijs wegspringen
springe weg woordvorm wegspringen
springen weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon wegspringen
springt weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wegspringen
sprong weg verleden tijd wegspringen
sprongen weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon wegspringen
weggesprongen voltooid deelwoord wegspringen
wegspring subordinate-clause, tegenwoordige tijd wegspringen
wegspringe with-subordinate-clause wegspringen
wegspringend onvoltooid deelwoord wegspringen
wegspringende woordvorm wegspringen
wegspringt subordinate-clause, tegenwoordige tijd wegspringen
wegsprong subordinate-clause, verleden tijd wegspringen
wegsprongen subordinate-clause, verleden tijd wegspringen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegspringen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over wegspringen

Wat betekent wegspringen?
Wegspringen is een werkwoord. Het woord betekent: zich springend verwijderen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je wegspringen?
Je vervoegt wegspringen als volgt: het voltooid deelwoord is weggesprongen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wegspringen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. S 2
  5. P 3
  6. R 2
  7. I 1
  8. N 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wegspringen levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. S 2
  5. P 4
  6. R 2
  7. I 2
  8. N 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 zonder bonus
  13. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

wegspringen in het kort

wegspringen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van wegspringen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort wegspringen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

wegspringen: zich springend verwijderen
Deel wegspringen — standaardnederlands.nl