weggrissen
werkwoordBetekenis
- snel en inhalig iets weghalen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van weggrissen
weggrissenhele werkwoord — griste wegverleden tijd enkelvoud — gristen wegverleden tijd meervoud — weggegristvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gris weg | griste weg |
| jij | grist weg | griste weg |
| hij, zij, het | grist weg | griste weg |
| wij | grissen weg | gristen weg |
| jullie | grissen weg | gristen weg |
| zij | grissen weg | gristen weg |
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is weggegrist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was weggegrist | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd weggegrist | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt weggegrist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal weggegrist worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal weggegrist zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou weggegrist worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou weggegrist zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gris weg | gebiedende wijs |
| griste weg | verleden tijd |
| had weggegrist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had weggegrist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had weggegrist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden weggegrist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden weggegrist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden weggegrist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt weggegrist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb weggegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weggegrist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben weggegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weggegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben weggegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt weggegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weggegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weggegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is weggegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben weggegrist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weggrissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren weggegrist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weggegrist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weg te grissen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weg te zullen grissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weg zal grissen | bijzin, toekomende tijd |
| weg zou grissen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zouden grissen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zoudt grissen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zullen grissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weg zullen grissen | bijzin, toekomende tijd |
| weg zult grissen | bijzin, toekomende tijd |
| weggegrist | verleden tijd, deelwoord |
| weggegrist te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weggegrist te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weggegrist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggegrist te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggegrist te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggegrist worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weggegrist zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weggegrist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weggegrist zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weggegrist zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weggris | bijzin, tegenwoordige tijd |
| weggrissend | onvoltooid, deelwoord |
| weggrist | bijzin, tegenwoordige tijd |
| weggriste | bijzin, verleden tijd |
| weggristen | bijzin, verleden tijd |
| werd weggegrist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden weggegrist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden weggegrist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt weggegrist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal weggegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weggegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weggegrist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal weggegrist zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal weggrissen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn weggegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou weggegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weggegrist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou weggegrist zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou weggrissen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) weggrissen weg zou(dt) grissen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden weggegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weggegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weggegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weggegrist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weggegrist zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden weggrissen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt weggegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt weggrissen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen weggegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weggegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weggegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weggegrist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weggegrist zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weggrissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen weggrissen | bijzin, toekomende tijd |
| zult weggegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weggrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult weggrissen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal weggrissen weg zult/zal grissen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van weg bw en grissen
Woordfamilie van weggrissen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gris weg | gebiedende wijs | weggrissen |
| grisse weg | woordvorm | weggrissen |
| grissen weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | weggrissen |
| grist weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | weggrissen |
| griste weg | verleden tijd | weggrissen |
| gristen weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | weggrissen |
| weggegrist | voltooid deelwoord | weggrissen |
| weggegriste | woordvorm | weggrissen |
| weggris | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | weggrissen |
| weggrisse | with-subordinate-clause | weggrissen |
| weggrissend | onvoltooid deelwoord | weggrissen |
| weggrissende | woordvorm | weggrissen |
| weggrist | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | weggrissen |
| weggriste | subordinate-clause, verleden tijd | weggrissen |
| weggristen | subordinate-clause, verleden tijd | weggrissen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weggrissen zijn vastgelegd.