Naar de inhoud

wankelen

onvast op de voeten staan, dreigen te vallen

wankelen

werkwoord ˈwɑŋkələ(n)

Betekenis

  1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
  2. op onvaste wijze zich ergens heen begeven

Hoe spreek je wankelen uit?

/ˈwɑŋkələn/

Wankelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈwɑŋkələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
w quiz
ɑ bad
ŋ ding
k kat
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. dreigen ten onder te gaan figuratively

Vervoeging van wankelen

wankelenhele werkwoord — wankeldeverleden tijd enkelvoud — wankeldenverleden tijd meervoud — gewankeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wankel wankelde
jij wankelt wankelde
hij, zij, het wankelt wankelde
wij wankelen wankelden
jullie wankelen wankelden
zij wankelen wankelden
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gewankeld impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was gewankeld impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd gewankeld impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt gewankeld impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gewankeld worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gewankeld zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou gewankeld worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou gewankeld zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
gewankeld verleden tijd, deelwoord
gewankeld te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewankeld zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hebben gewankeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
te hebben/zijn gewankeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te wankelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wankelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
wankel gebiedende wijs
wankelde verleden tijd
wankele aanvoegende wijs
wankelend onvoltooid, deelwoord
zal wankelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wankelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wankelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gewankeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zou wankelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wankelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wankelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden wankelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wankelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wankelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt wankelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen wankelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen wankelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen wankelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen wankelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult wankelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘onvast gaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Woordfamilie van wankelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gewankeld voltooid deelwoord wankelen
gewankelde woordvorm wankelen
wankelde verleden tijd wankelen
wankelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon wankelen
wankelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wankelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wankelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over wankelen

Hoe spreek je wankelen uit?
De uitspraak van wankelen is: /ˈwɑŋkələ(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent wankelen?
Wankelen is een werkwoord. Het woord betekent: onvast op de voeten staan, dreigen te vallen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je wankelen?
Je vervoegt wankelen als volgt: de tegenwoordige tijd is wankel, de verleden tijd is wankelde en het voltooid deelwoord is gewankeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wankelen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. A 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wankelen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. A 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

wankelen in het kort

wankelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van wankelen zijn 29 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort wankelen bij een woordfamilie van 5 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

wankelen: onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
Deel wankelen — standaardnederlands.nl