wanboffen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈwɑmbɔfə(n)Betekenis
- geen geluk hebben, pech hebben
Hoe spreek je wanboffen uit?
/ˈwɑmbɔfən/
Wanboffen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| b | bak |
| ɔ | bot |
| f | fiets |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van wanboffen
wanboffenhele werkwoord — wanbofteverleden tijd enkelvoud — wanboftenverleden tijd meervoud — gewanboftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wanbof | wanbofte |
| jij | wanboft | wanbofte |
| hij, zij, het | wanboft | wanbofte |
| wij | wanboffen | wanboften |
| jullie | wanboffen | wanboften |
| zij | wanboffen | wanboften |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewanboft | verleden tijd, deelwoord |
| gewanboft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewanboft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewanboft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewanboft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewanboft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewanboft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewanboft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewanboft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewanboft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewanboft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewanboft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewanboft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewanboft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewanboft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewanboft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewanboft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewanboft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewanboft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wanboffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wanboffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wanbof | gebiedende wijs |
| wanboffe | aanvoegende wijs |
| wanboffend | onvoltooid, deelwoord |
| wanbofte | verleden tijd |
| zal gewanboft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewanboft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewanboft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewanboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewanboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewanboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewanboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewanboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewanboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewanboft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewanboft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewanboft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewanboft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wanboffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewanboft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wanboffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wanbof
Herkomst
afgeleid van wanbof zn met het achtervoegsel -en; op te vatten als samenstelling van wan bn en boffen ww
Woordfamilie van wanboffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewanboft | voltooid deelwoord | wanboffen |
| wanboffe | aanvoegende wijs | wanboffen |
| wanboffend | onvoltooid deelwoord | wanboffen |
| wanboffende | woordvorm | wanboffen |
| wanboft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wanboffen |
| wanbofte | verleden tijd | wanboffen |
| wanboften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wanboffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wanboffen zijn vastgelegd.