walken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- vilt bewerken door te kneden met een bijtmiddel
- klei verdichten en soepel maken door te kneden
Vervoeging van walken
walkenhele werkwoord — walkteverleden tijd enkelvoud — walktenverleden tijd meervoud — gewalktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | walk | walkte |
| jij | walkt | walkte |
| hij, zij, het | walkt | walkte |
| wij | walken | walkten |
| jullie | walken | walkten |
| zij | walken | walkten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewalkt | verleden tijd, deelwoord |
| gewalkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewalkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewalkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewalkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewalkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewalkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewalkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewalkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewalkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewalkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewalkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewalkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te walken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen walken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| walk | gebiedende wijs |
| walke | aanvoegende wijs |
| walkend | onvoltooid, deelwoord |
| walkte | verleden tijd |
| zal gewalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal walken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal walken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal walken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou walken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou walken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou walken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden walken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden walken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden walken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewalkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt walken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen walken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen walken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen walken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen walken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewalkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult walken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord walk
Herkomst
In de betekenis van ‘vollen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Woordfamilie van walken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewalkt | voltooid deelwoord | walken |
| gewalkte | woordvorm | walken |
| walke | aanvoegende wijs | walken |
| walkend | onvoltooid deelwoord | walken |
| walkende | woordvorm | walken |
| walkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | walken |
| walkte | verleden tijd | walken |
| walkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | walken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van walken zijn vastgelegd.