vulgariseren
werkwoordBetekenis
- vulgair maken, platvloers maken, onder het volk brengen
Vervoeging van vulgariseren
vulgariserenhele werkwoord — vulgariseerdeverleden tijd enkelvoud — vulgariseerdenverleden tijd meervoud — gevulgariseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vulgariseer | vulgariseerde |
| jij | vulgariseert | vulgariseerde |
| hij, zij, het | vulgariseert | vulgariseerde |
| wij | vulgariseren | vulgariseerden |
| jullie | vulgariseren | vulgariseerden |
| zij | vulgariseren | vulgariseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gevulgariseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevulgariseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevulgariseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevulgariseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevulgariseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevulgariseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevulgariseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevulgariseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevulgariseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gevulgariseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevulgariseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevulgariseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevulgariseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevulgariseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevulgariseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevulgariseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevulgariseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevulgariseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevulgariseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevulgariseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevulgariseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vulgariseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vulgariseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vulgariseer | gebiedende wijs |
| vulgariseerde | verleden tijd |
| vulgarisere | aanvoegende wijs |
| vulgariserend | onvoltooid, deelwoord |
| waart gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gevulgariseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gevulgariseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gevulgariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevulgariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevulgariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gevulgariseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevulgariseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gevulgariseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gevulgariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevulgariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevulgariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevulgariseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevulgariseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevulgariseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevulgariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevulgariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevulgariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevulgariseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevulgariseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevulgariseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevulgariseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevulgariseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevulgariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevulgariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevulgariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevulgariseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevulgariseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevulgariseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vulgariseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevulgariseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevulgariseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevulgariseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vulgariseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse vulgariser (met het achtervoegsel -iseren)
Woordfamilie van vulgariseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevulgariseerd | voltooid deelwoord | vulgariseren |
| gevulgariseerde | woordvorm | vulgariseren |
| vulgariseer | gebiedende wijs | vulgariseren |
| vulgariseerde | verleden tijd | vulgariseren |
| vulgariseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vulgariseren |
| vulgariseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vulgariseren |
| vulgarisere | aanvoegende wijs | vulgariseren |
| vulgariserend | onvoltooid deelwoord | vulgariseren |
| vulgariserende | woordvorm | vulgariseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vulgariseren zijn vastgelegd.