vrijwaren
werkwoordBetekenis
- waarborgen, behoeden, veilig stellen
- (bij verkoop:) garanderen dat het verkochte vrij is van aanspraken door derden, van schulden en lasten
werkwoord
- garanderen dat het verkochte vrij is van aanspraken door derden, van schulden en lasten
Vervoeging van vrijwaren
vrijwarenhele werkwoord — vrijwaardeverleden tijd enkelvoud — vrijwaardenverleden tijd meervoud — gevrijwaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vrijwaar | vrijwaarde |
| jij | vrijwaart | vrijwaarde |
| hij, zij, het | vrijwaart | vrijwaarde |
| wij | vrijwaren | vrijwaarden |
| jullie | vrijwaren | vrijwaarden |
| zij | vrijwaren | vrijwaarden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gevrijwaard | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevrijwaard | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevrijwaard | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevrijwaard | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevrijwaard worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevrijwaard zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevrijwaard worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevrijwaard zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevrijwaard | verleden tijd, deelwoord |
| gevrijwaard te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevrijwaard te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevrijwaard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevrijwaard te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevrijwaard te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevrijwaard worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevrijwaard zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevrijwaard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevrijwaard zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevrijwaard zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevrijwaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevrijwaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vrijwaren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vrijwaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijwaar | gebiedende wijs |
| vrijwaarde | verleden tijd |
| vrijware | aanvoegende wijs |
| vrijwarend | onvoltooid, deelwoord |
| waart gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gevrijwaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gevrijwaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gevrijwaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevrijwaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevrijwaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gevrijwaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevrijwaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gevrijwaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gevrijwaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevrijwaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevrijwaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevrijwaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevrijwaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevrijwaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevrijwaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevrijwaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevrijwaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevrijwaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevrijwaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevrijwaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevrijwaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevrijwaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevrijwaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevrijwaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevrijwaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevrijwaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevrijwaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevrijwaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijwaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevrijwaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevrijwaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevrijwaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vrijwaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘behoeden’ voor het eerst aangetroffen in 1376
Woordfamilie van vrijwaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevrijwaard | voltooid deelwoord | vrijwaren |
| gevrijwaarde | woordvorm | vrijwaren |
| vrijwaar | gebiedende wijs | vrijwaren |
| vrijwaarde | verleden tijd | vrijwaren |
| vrijwaarden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vrijwaren |
| vrijwaart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vrijwaren |
| vrijware | aanvoegende wijs | vrijwaren |
| vrijwarend | onvoltooid deelwoord | vrijwaren |
| vrijwarende | woordvorm | vrijwaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijwaren zijn vastgelegd.