Naar de inhoud

vrijwaren

waarborgen, behoeden, veilig stellen

vrijwaren

werkwoord

Betekenis

  1. waarborgen, behoeden, veilig stellen
  2. (bij verkoop:) garanderen dat het verkochte vrij is van aanspraken door derden, van schulden en lasten

werkwoord

  1. garanderen dat het verkochte vrij is van aanspraken door derden, van schulden en lasten

Vervoeging van vrijwaren

vrijwarenhele werkwoord — vrijwaardeverleden tijd enkelvoud — vrijwaardenverleden tijd meervoud — gevrijwaardvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vrijwaar vrijwaarde
jij vrijwaart vrijwaarde
hij, zij, het vrijwaart vrijwaarde
wij vrijwaren vrijwaarden
jullie vrijwaren vrijwaarden
zij vrijwaren vrijwaarden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gevrijwaard impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gevrijwaard impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gevrijwaard impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gevrijwaard impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gevrijwaard worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gevrijwaard zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gevrijwaard worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gevrijwaard zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gevrijwaard verleden tijd, deelwoord
gevrijwaard te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevrijwaard te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevrijwaard te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevrijwaard te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevrijwaard te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevrijwaard worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gevrijwaard zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gevrijwaard zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevrijwaard zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevrijwaard zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gevrijwaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gevrijwaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gevrijwaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gevrijwaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gevrijwaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gevrijwaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gevrijwaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevrijwaard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gevrijwaard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vrijwaren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vrijwaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrijwaar gebiedende wijs
vrijwaarde verleden tijd
vrijware aanvoegende wijs
vrijwarend onvoltooid, deelwoord
waart gevrijwaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gevrijwaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gevrijwaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gevrijwaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gevrijwaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gevrijwaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gevrijwaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gevrijwaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gevrijwaard hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevrijwaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gevrijwaard hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gevrijwaard zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevrijwaard zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gevrijwaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gevrijwaard hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevrijwaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevrijwaard hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevrijwaard zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevrijwaard zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevrijwaard zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gevrijwaard hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevrijwaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevrijwaard hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevrijwaard zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevrijwaard zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevrijwaard zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gevrijwaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gevrijwaard zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gevrijwaard hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevrijwaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevrijwaard hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gevrijwaard zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevrijwaard zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevrijwaard zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vrijwaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gevrijwaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gevrijwaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gevrijwaard zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vrijwaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘behoeden’ voor het eerst aangetroffen in 1376

Woordfamilie van vrijwaren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gevrijwaard voltooid deelwoord vrijwaren
gevrijwaarde woordvorm vrijwaren
vrijwaar gebiedende wijs vrijwaren
vrijwaarde verleden tijd vrijwaren
vrijwaarden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vrijwaren
vrijwaart aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vrijwaren
vrijware aanvoegende wijs vrijwaren
vrijwarend onvoltooid deelwoord vrijwaren
vrijwarende woordvorm vrijwaren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijwaren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over vrijwaren

Wat is de betekenis van vrijwaren?
Vrijwaren is een werkwoord. De betekenis is: waarborgen, behoeden, veilig stellen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik vrijwaren?
Zo vervoeg je vrijwaren zo: de tegenwoordige tijd is vrijwaar, de verleden tijd is vrijwaarde en het voltooid deelwoord is gevrijwaard. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vrijwaren is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. R 2
  3. I 1
  4. J 4
  5. W 5
  6. A 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vrijwaren levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. R 2
  3. I 2
  4. J 4
  5. W 5
  6. A 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vrijwaren in het kort

vrijwaren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van vrijwaren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vrijwaren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vrijwaren: waarborgen, behoeden, veilig stellen
Deel vrijwaren — standaardnederlands.nl