vrijvechten
werkwoordBetekenis
- door te vechten zichzelf bevrijden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van vrijvechten
vrijvechtenhele werkwoord — vocht vrijverleden tijd enkelvoud — vochten vrijverleden tijd meervoud — vrijgevochtenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vecht vrij | vocht vrij |
| jij | vecht vrij | vocht vrij |
| hij, zij, het | vecht vrij | vocht vrij |
| wij | vechten vrij | vochten vrij |
| jullie | vechten vrij | vochten vrij |
| zij | vechten vrij | vochten vrij |
Alle 86 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had vrijgevochten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vrijgevochten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vrijgevochten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vrijgevochten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vrijgevochten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vrijgevochten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vrijgevochten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vrijgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgevochten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vrijgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vrijgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vrijgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vrijgevochten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vrijvechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vecht u/je vrij, vecht je vrij | gebiedende wijs |
| vecht vrij | gebiedende wijs |
| vocht vrij | verleden tijd |
| vrij te vechten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrij te zullen vechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij zal vechten | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zou vechten | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zouden vechten | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zoudt vechten | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zullen vechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrij zullen vechten | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zult vechten | bijzin, toekomende tijd |
| vrijgevochten | verleden tijd, deelwoord |
| vrijgevochten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgevochten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijvecht | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vrijvechtend | onvoltooid, deelwoord |
| vrijvocht | bijzin, verleden tijd |
| vrijvochten | bijzin, verleden tijd |
| zal me vrijvechten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal vrijgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vrijgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vrijvechten | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich vrijvechten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vrijvechten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich vrijgevochten hebben | verleden tijd |
| zich vrijvechtend | onvoltooid, deelwoord |
| zou vrijgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vrijvechten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vrijvechten vrij zou(dt) vechten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vrijgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vrijgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vrijgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vrijvechten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vrijgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vrijvechten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je vrijvechten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vrijvechten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen vrijgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vrijgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vrijgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijvechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vrijvechten | bijzin, toekomende tijd |
| zullen zich vrijvechten | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u vrijvechten | tweede persoon |
| zult u vrijvechten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult vrijgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vrijvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vrijvechten | bijzin, toekomende tijd |
| zult zich/u vrijvechten | tweede persoon |
| zult zich/u vrijvechten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult/zal vrijvechten vrij zult/zal vechten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vrij en vechten
Woordfamilie van vrijvechten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vecht vrij | gebiedende wijs | vrijvechten |
| vechte vrij | woordvorm | vrijvechten |
| vechten vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vrijvechten |
| vocht vrij | verleden tijd | vrijvechten |
| vochten vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vrijvechten |
| vrijgevochten | voltooid deelwoord | vrijvechten |
| vrijvecht | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vrijvechten |
| vrijvechte | with-subordinate-clause | vrijvechten |
| vrijvechtend | onvoltooid deelwoord | vrijvechten |
| vrijvechtende | woordvorm | vrijvechten |
| vrijvocht | subordinate-clause, verleden tijd | vrijvechten |
| vrijvochten | subordinate-clause, verleden tijd | vrijvechten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijvechten zijn vastgelegd.