vrijspreken
werkwoord /'vrɛisprekə(n)/Betekenis
- onschuldig verklaren
Hoe spreek je vrijspreken uit?
/ˈvrɛisprekən/
Vrijspreken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| p | pak |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vrijspreken
vrijsprekenhele werkwoord — sprak vrijverleden tijd enkelvoud — spraken vrijverleden tijd meervoud — vrijgesprokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spreek vrij | sprak vrij |
| jij | spreekt vrij | spraakt vrij |
| hij, zij, het | spreekt vrij | sprak vrij |
| wij | spreken vrij | spraken vrij |
| jullie | spreken vrij | spraken vrij |
| zij | spreken vrij | spraken vrij |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vrijgesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vrijgesproken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vrijgesproken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vrijgesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vrijgesproken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vrijgesproken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vrijgesproken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vrijgesproken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sprak vrij | verleden tijd |
| spreek vrij | gebiedende wijs |
| te hebben vrijgesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vrijspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij te spreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrij te zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij zal spreken | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zou spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zouden spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zoudt spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrij zullen spreken | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zult spreken | bijzin, toekomende tijd |
| vrijgesproken | verleden tijd, deelwoord |
| vrijgesproken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrijgesproken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrijgesproken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgesproken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgesproken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgesproken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vrijgesproken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vrijgesproken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgesproken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgesproken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijspraakt | bijzin, verleden tijd |
| vrijsprak | bijzin, verleden tijd |
| vrijspraken | bijzin, verleden tijd |
| vrijspreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vrijspreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vrijsprekend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vrijgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vrijgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vrijgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vrijgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vrijgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vrijspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vrijgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vrijgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vrijgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vrijspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vrijspreken vrij zou(dt) spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vrijgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vrijgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vrijgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vrijgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vrijgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vrijspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vrijgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vrijspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vrijgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vrijgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vrijgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vrijgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vrijgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vrijgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vrijgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vrijspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vrijspreken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vrij en spreken
Woordfamilie van vrijspreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spraakt vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | vrijspreken |
| sprak vrij | verleden tijd | vrijspreken |
| spraken vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vrijspreken |
| spreek vrij | gebiedende wijs | vrijspreken |
| spreekt vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vrijspreken |
| spreke vrij | woordvorm | vrijspreken |
| spreken vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vrijspreken |
| vrijgesproken | voltooid deelwoord | vrijspreken |
| vrijsprak | subordinate-clause, verleden tijd | vrijspreken |
| vrijspreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vrijspreken |
| vrijspreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vrijspreken |
| vrijspreke | with-subordinate-clause | vrijspreken |
| vrijsprekend | onvoltooid deelwoord | vrijspreken |
| vrijsprekende | woordvorm | vrijspreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijspreken zijn vastgelegd.