vrijpleiten
werkwoordBetekenis
- door pleiten vrijspraak verwerven voor iemand, door pleiten de onschuld aantonen van iemand, door pleiten verdedigen
- aantonen of betogen dat men aan iets niet schuldig is
- aantoonen of betoogen dat men niet aan iets schuldig is
Vervoeging van vrijpleiten
vrijpleitenhele werkwoord — pleitte vrijverleden tijd enkelvoud — pleitten vrijverleden tijd meervoud — vrijgepleitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pleit vrij | pleitte vrij |
| jij | pleit vrij | pleitte vrij |
| hij, zij, het | pleit vrij | pleitte vrij |
| wij | pleiten vrij | pleitten vrij |
| jullie | pleiten vrij | pleitten vrij |
| zij | pleiten vrij | pleitten vrij |
Alle 157 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vrijgepleit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vrijgepleit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vrijgepleit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vrijgepleit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vrijgepleit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vrijgepleit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vrijgepleit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vrijgepleit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgepleit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pleit u/je vrij, pleit je vrij | gebiedende wijs |
| pleit vrij | gebiedende wijs |
| pleitte vrij | verleden tijd |
| te hebben vrijgepleit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vrijpleiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij te pleiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrij te zullen pleiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij zal pleiten | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zou pleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zouden pleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zoudt pleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zullen pleiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrij zullen pleiten | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zult pleiten | bijzin, toekomende tijd |
| vrijgepleit | verleden tijd, deelwoord |
| vrijgepleit te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrijgepleit te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrijgepleit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgepleit te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgepleit te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgepleit worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vrijgepleit zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vrijgepleit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgepleit zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgepleit zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijpleit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vrijpleitend | onvoltooid, deelwoord |
| vrijpleitte | bijzin, verleden tijd |
| vrijpleitten | bijzin, verleden tijd |
| waart vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me vrijpleiten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal vrijgepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vrijgepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vrijgepleit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgepleit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vrijpleiten | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich vrijpleiten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vrijpleiten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich vrijgepleit hebben | verleden tijd |
| zich vrijpleitend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vrijpleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vrijpleiten vrij zou(dt) pleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vrijpleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vrijpleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je vrijpleiten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vrijpleiten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen vrijgepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vrijgepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vrijgepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgepleit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vrijgepleit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Vervoeging van vrijpleiten
vrijpleitenhele werkwoord — pleitte vrijverleden tijd enkelvoud — pleitten vrijverleden tijd meervoud — vrijgepleitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pleit vrij | pleitte vrij |
| jij | pleit vrij | pleitte vrij |
| hij, zij, het | pleit vrij | pleitte vrij |
| wij | pleiten vrij | pleitten vrij |
| jullie | pleiten vrij | pleitten vrij |
| zij | pleiten vrij | pleitten vrij |
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vrijgepleit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vrijgepleit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vrijgepleit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vrijgepleit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vrijgepleit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vrijgepleit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vrijgepleit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vrijgepleit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgepleit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pleit u/je vrij, pleit je vrij | gebiedende wijs |
| pleit vrij | gebiedende wijs |
| pleitte vrij | verleden tijd |
| te hebben vrijgepleit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vrijpleiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij te pleiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrij te zullen pleiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij zal pleiten | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zou pleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zouden pleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zoudt pleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zullen pleiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrij zullen pleiten | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zult pleiten | bijzin, toekomende tijd |
| vrijgepleit | verleden tijd, deelwoord |
| vrijgepleit te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrijgepleit te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrijgepleit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgepleit te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgepleit te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgepleit worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vrijgepleit zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vrijgepleit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgepleit zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgepleit zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijpleit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vrijpleitend | onvoltooid, deelwoord |
| vrijpleitte | bijzin, verleden tijd |
| vrijpleitten | bijzin, verleden tijd |
| waart vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vrijgepleit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vrijgepleit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me vrijpleiten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal vrijgepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vrijgepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vrijgepleit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgepleit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vrijpleiten | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich vrijpleiten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vrijpleiten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich vrijgepleit hebben | verleden tijd |
| zich vrijpleiten | canonical |
| zich vrijpleitend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vrijgepleit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vrijpleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vrijpleiten vrij zou(dt) pleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vrijpleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vrijgepleit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijgepleit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijpleiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vrijpleiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je vrijpleiten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vrijpleiten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen vrijgepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vrijgepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vrijgepleit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vrijgepleit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgepleit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
Herkomst
samenstelling van vrij en pleiten
Woordfamilie van vrijpleiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pleit vrij | gebiedende wijs | vrijpleiten |
| pleite vrij | woordvorm | vrijpleiten |
| pleiten vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vrijpleiten |
| pleitte vrij | verleden tijd | vrijpleiten |
| pleitten vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vrijpleiten |
| vrijgepleit | voltooid deelwoord | vrijpleiten |
| vrijgepleite | woordvorm | vrijpleiten |
| vrijpleit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vrijpleiten |
| vrijpleite | with-subordinate-clause | vrijpleiten |
| vrijpleitend | onvoltooid deelwoord | vrijpleiten |
| vrijpleitende | woordvorm | vrijpleiten |
| vrijpleitte | subordinate-clause, verleden tijd | vrijpleiten |
| vrijpleitten | subordinate-clause, verleden tijd | vrijpleiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijpleiten zijn vastgelegd.