Naar de inhoud

vrijpleiten

door pleiten vrijspraak verwerven voor iemand, door pleiten de onschuld aantonen van iemand, door pleiten verdedigen

vrijpleiten

werkwoord

Betekenis

  1. door pleiten vrijspraak verwerven voor iemand, door pleiten de onschuld aantonen van iemand, door pleiten verdedigen
  2. aantonen of betogen dat men aan iets niet schuldig is
  3. aantoonen of betoogen dat men niet aan iets schuldig is

Vervoeging van vrijpleiten

vrijpleitenhele werkwoord — pleitte vrijverleden tijd enkelvoud — pleitten vrijverleden tijd meervoud — vrijgepleitvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pleit vrij pleitte vrij
jij pleit vrij pleitte vrij
hij, zij, het pleit vrij pleitte vrij
wij pleiten vrij pleitten vrij
jullie pleiten vrij pleitten vrij
zij pleiten vrij pleitten vrij
Alle 157 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vrijgepleit impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vrijgepleit impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vrijgepleit impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vrijgepleit impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vrijgepleit worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vrijgepleit zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vrijgepleit worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vrijgepleit zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had vrijgepleit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vrijgepleit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vrijgepleit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vrijgepleit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vrijgepleit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vrijgepleit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vrijgepleit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vrijgepleit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pleit u/je vrij, pleit je vrij gebiedende wijs
pleit vrij gebiedende wijs
pleitte vrij verleden tijd
te hebben vrijgepleit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vrijpleiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrij te pleiten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vrij te zullen pleiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrij zal pleiten bijzin, toekomende tijd
vrij zou pleiten bijzin, voorwaardelijk
vrij zouden pleiten bijzin, voorwaardelijk
vrij zoudt pleiten bijzin, voorwaardelijk
vrij zullen pleiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vrij zullen pleiten bijzin, toekomende tijd
vrij zult pleiten bijzin, toekomende tijd
vrijgepleit verleden tijd, deelwoord
vrijgepleit te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vrijgepleit te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vrijgepleit te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrijgepleit te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrijgepleit te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrijgepleit worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vrijgepleit zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vrijgepleit zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vrijgepleit zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vrijgepleit zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vrijpleit bijzin, tegenwoordige tijd
vrijpleitend onvoltooid, deelwoord
vrijpleitte bijzin, verleden tijd
vrijpleitten bijzin, verleden tijd
waart vrijgepleit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vrijgepleit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vrijgepleit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vrijgepleit voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vrijgepleit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vrijgepleit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vrijgepleit voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me vrijpleiten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal vrijgepleit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vrijgepleit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vrijgepleit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vrijgepleit zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vrijgepleit zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vrijpleiten bijzin, toekomende tijd
zal zich vrijpleiten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vrijpleiten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich vrijgepleit hebben verleden tijd
zich vrijpleitend onvoltooid, deelwoord
zijn vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vrijpleiten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vrijpleiten vrij zou(dt) pleiten bijzin, voorwaardelijk
zouden vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vrijpleiten bijzin, voorwaardelijk
zoudt vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vrijpleiten bijzin, voorwaardelijk
zullen je vrijpleiten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vrijpleiten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen vrijgepleit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vrijgepleit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vrijgepleit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vrijgepleit zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vrijgepleit zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Vervoeging van vrijpleiten

vrijpleitenhele werkwoord — pleitte vrijverleden tijd enkelvoud — pleitten vrijverleden tijd meervoud — vrijgepleitvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pleit vrij pleitte vrij
jij pleit vrij pleitte vrij
hij, zij, het pleit vrij pleitte vrij
wij pleiten vrij pleitten vrij
jullie pleiten vrij pleitten vrij
zij pleiten vrij pleitten vrij
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vrijgepleit impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vrijgepleit impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vrijgepleit impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vrijgepleit impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vrijgepleit worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vrijgepleit zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vrijgepleit worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vrijgepleit zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had vrijgepleit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vrijgepleit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vrijgepleit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vrijgepleit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vrijgepleit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vrijgepleit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vrijgepleit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vrijgepleit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pleit u/je vrij, pleit je vrij gebiedende wijs
pleit vrij gebiedende wijs
pleitte vrij verleden tijd
te hebben vrijgepleit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vrijpleiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrij te pleiten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vrij te zullen pleiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrij zal pleiten bijzin, toekomende tijd
vrij zou pleiten bijzin, voorwaardelijk
vrij zouden pleiten bijzin, voorwaardelijk
vrij zoudt pleiten bijzin, voorwaardelijk
vrij zullen pleiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vrij zullen pleiten bijzin, toekomende tijd
vrij zult pleiten bijzin, toekomende tijd
vrijgepleit verleden tijd, deelwoord
vrijgepleit te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vrijgepleit te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vrijgepleit te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrijgepleit te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrijgepleit te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrijgepleit worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vrijgepleit zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vrijgepleit zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vrijgepleit zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vrijgepleit zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vrijpleit bijzin, tegenwoordige tijd
vrijpleitend onvoltooid, deelwoord
vrijpleitte bijzin, verleden tijd
vrijpleitten bijzin, verleden tijd
waart vrijgepleit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vrijgepleit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vrijgepleit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vrijgepleit voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vrijgepleit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vrijgepleit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vrijgepleit voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vrijgepleit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me vrijpleiten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal vrijgepleit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vrijgepleit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vrijgepleit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vrijgepleit zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vrijgepleit zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vrijpleiten bijzin, toekomende tijd
zal zich vrijpleiten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vrijpleiten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich vrijgepleit hebben verleden tijd
zich vrijpleiten canonical
zich vrijpleitend onvoltooid, deelwoord
zijn vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vrijgepleit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vrijpleiten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vrijpleiten vrij zou(dt) pleiten bijzin, voorwaardelijk
zouden vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vrijpleiten bijzin, voorwaardelijk
zoudt vrijgepleit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vrijgepleit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vrijpleiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vrijpleiten bijzin, voorwaardelijk
zullen je vrijpleiten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vrijpleiten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen vrijgepleit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vrijgepleit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vrijgepleit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vrijgepleit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vrijgepleit zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van vrij en pleiten

Woordfamilie van vrijpleiten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
pleit vrij gebiedende wijs vrijpleiten
pleite vrij woordvorm vrijpleiten
pleiten vrij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vrijpleiten
pleitte vrij verleden tijd vrijpleiten
pleitten vrij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vrijpleiten
vrijgepleit voltooid deelwoord vrijpleiten
vrijgepleite woordvorm vrijpleiten
vrijpleit subordinate-clause, tegenwoordige tijd vrijpleiten
vrijpleite with-subordinate-clause vrijpleiten
vrijpleitend onvoltooid deelwoord vrijpleiten
vrijpleitende woordvorm vrijpleiten
vrijpleitte subordinate-clause, verleden tijd vrijpleiten
vrijpleitten subordinate-clause, verleden tijd vrijpleiten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijpleiten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vrijpleiten

Wat betekent vrijpleiten?
Vrijpleiten is een werkwoord. Het woord betekent: door pleiten vrijspraak verwerven voor iemand, door pleiten de onschuld aantonen van iemand, door pleiten verdedigen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je vrijpleiten?
Je vervoegt vrijpleiten als volgt: het voltooid deelwoord is vrijgepleit. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vrijpleiten is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. R 2
  3. I 1
  4. J 4
  5. P 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. I 1
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vrijpleiten levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. R 2
  3. I 2
  4. J 4
  5. P 4
  6. L 3
  7. E 1
  8. I 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 26 zonder bonus
  13. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vrijpleiten in het kort

vrijpleiten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van vrijpleiten zijn 98 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vrijpleiten bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vrijpleiten: door pleiten vrijspraak verwerven voor iemand, door pleiten de onschuld aantonen van iemand, door pleiten verdedigen
Deel vrijpleiten — standaardnederlands.nl