vrijpostig
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- zich niet gebonden voelend aan de goede zeden, hinderlijk-brutaal
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vrijpostige | verbogen, stellende trap |
| vrijpostiger | onverbogen, vergrotende trap |
| vrijpostigere | verbogen, vergrotende trap |
| vrijpostigers | partitief, vergrotende trap |
| vrijpostigs | partitief, stellende trap |
| vrijpostigst | onverbogen, overtreffende trap |
| vrijpostigste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘brutaal’ voor het eerst aangetroffen in 1656
Woordfamilie van vrijpostig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vrijpostige | verbogen vorm | vrijpostig |
| vrijpostiger | vergrotende trap | vrijpostig |
| vrijpostigere | verbogen vergrotende trap | vrijpostig |
| vrijpostigers | partitieve vergrotende trap | vrijpostig |
| vrijpostigs | partitive, positive | vrijpostig |
| vrijpostigst | uninflected, superlative | vrijpostig |
| vrijpostigste | inflected, superlative | vrijpostig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijpostig zijn vastgelegd.