vrijmaken
werkwoordBetekenis
- bevrijden, verlossen
- emanciperen, ontvoogden
- belemmeringen opheffen
- middelen speciaal ergens voor bestemmen
Vervoeging van vrijmaken
vrijmakenhele werkwoord — maakte vrijverleden tijd enkelvoud — maakten vrijverleden tijd meervoud — vrijgemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak vrij | maakte vrij |
| jij | maakt vrij | maakte vrij |
| hij, zij, het | maakt vrij | maakte vrij |
| wij | maken vrij | maakten vrij |
| jullie | maken vrij | maakten vrij |
| zij | maken vrij | maakten vrij |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vrijgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vrijgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vrijgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vrijgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vrijgemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vrijgemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vrijgemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vrijgemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak vrij | gebiedende wijs |
| maakte vrij | verleden tijd |
| te hebben vrijgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vrijmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrij te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrij zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| vrij zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrij zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| vrij zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| vrijgemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| vrijgemaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrijgemaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vrijgemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgemaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgemaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vrijgemaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vrijgemaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vrijgemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgemaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijgemaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vrijmaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vrijmaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vrijmaakte | bijzin, verleden tijd |
| vrijmaakten | bijzin, verleden tijd |
| vrijmakend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vrijgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vrijgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vrijgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vrijgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vrijgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vrijgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vrijmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vrijgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vrijgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vrijgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vrijgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vrijgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vrijmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vrijmaken vrij zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vrijgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vrijgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vrijgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vrijgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vrijgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vrijmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vrijgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vrijmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vrijgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vrijgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vrijgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vrijgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vrijgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vrijgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vrijgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vrijmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vrijmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vrijmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult vrijgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van vrij en maken
Woordfamilie van vrijmaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maak vrij | gebiedende wijs | vrijmaken |
| maakt vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vrijmaken |
| maakte vrij | verleden tijd | vrijmaken |
| maakten vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vrijmaken |
| make vrij | woordvorm | vrijmaken |
| maken vrij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vrijmaken |
| vrijgemaakt | voltooid deelwoord | vrijmaken |
| vrijgemaakte | woordvorm | vrijmaken |
| vrijmaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vrijmaken |
| vrijmaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vrijmaken |
| vrijmaakte | subordinate-clause, verleden tijd | vrijmaken |
| vrijmaakten | subordinate-clause, verleden tijd | vrijmaken |
| vrijmake | with-subordinate-clause | vrijmaken |
| vrijmakend | onvoltooid deelwoord | vrijmaken |
| vrijmakende | woordvorm | vrijmaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijmaken zijn vastgelegd.