Naar de inhoud

vrijlopen

zo lopen dat men vrij is van dekking van een tegenstander

vrijlopen is meer dan één woord

vrijlopen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. zo lopen dat men vrij is van dekking van een tegenstander

Vervoeging van vrijlopen

vrijlopenhele werkwoord — liep vrijverleden tijd enkelvoud — liepen vrijverleden tijd meervoud — vrijgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop vrij liep vrij
jij loopt vrij liep vrij
hij, zij, het loopt vrij liep vrij
wij lopen vrij liepen vrij
jullie lopen vrij liepen vrij
zij lopen vrij liepen vrij
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben vrijgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vrijgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is vrijgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vrijgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep vrij verleden tijd
loop vrij gebiedende wijs
te zijn vrijgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vrijlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrij te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vrij te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrij zal lopen bijzin, toekomende tijd
vrij zou lopen bijzin, voorwaardelijk
vrij zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
vrij zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
vrij zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vrij zullen lopen bijzin, toekomende tijd
vrij zult lopen bijzin, toekomende tijd
vrijgelopen verleden tijd, deelwoord
vrijgelopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrijgelopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vrijliep bijzin, verleden tijd
vrijliepen bijzin, verleden tijd
vrijloop bijzin, tegenwoordige tijd
vrijloopt bijzin, tegenwoordige tijd
vrijlopend onvoltooid, deelwoord
waart vrijgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vrijgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vrijgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vrijgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vrijgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vrijgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vrijgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal vrijgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vrijgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vrijgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vrijlopen bijzin, toekomende tijd
zijn vrijgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn vrijgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vrijgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vrijgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vrijgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vrijgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vrijgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vrijgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vrijlopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vrijlopen vrij zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden vrijgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vrijgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vrijgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vrijlopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt vrijgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vrijlopen bijzin, voorwaardelijk
zullen vrijgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vrijgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vrijgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vrijlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vrijlopen bijzin, toekomende tijd
zult vrijgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vrijlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vrijlopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal vrijlopen vrij zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord vrijloop

Herkomst

samenstelling van vrij en lopen

Woordfamilie van vrijlopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep vrij verleden tijd vrijlopen
liepen vrij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vrijlopen
loop vrij gebiedende wijs vrijlopen
loopt vrij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vrijlopen
lope vrij woordvorm vrijlopen
lopen vrij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vrijlopen
vrijgelopen voltooid deelwoord vrijlopen
vrijliep subordinate-clause, verleden tijd vrijlopen
vrijliepen subordinate-clause, verleden tijd vrijlopen
vrijloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vrijlopen
vrijlope with-subordinate-clause vrijlopen
vrijlopend onvoltooid deelwoord vrijlopen
vrijlopende woordvorm vrijlopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijlopen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over vrijlopen

Wat betekent vrijlopen?
Vrijlopen is een werkwoord. Het woord betekent: zo lopen dat men vrij is van dekking van een tegenstander.
Hoe vervoeg je vrijlopen?
Je vervoegt vrijlopen als volgt: het voltooid deelwoord is vrijgelopen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vrijlopen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. R 2
  3. I 1
  4. J 4
  5. L 3
  6. O 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vrijlopen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. R 2
  3. I 2
  4. J 4
  5. L 3
  6. O 1
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vrijlopen in het kort

vrijlopen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van vrijlopen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vrijlopen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vrijlopen: zo lopen dat men vrij is van dekking van een tegenstander
Deel vrijlopen — standaardnederlands.nl