Naar de inhoud

voorwerpen

verwijten

voorwerpen is meer dan één woord

voorwerpen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. verwijten

Vervoeging van voorwerpen

voorwerpenhele werkwoord — wierp voorverleden tijd enkelvoud — wierpen voorverleden tijd meervoud — voorgeworpenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik werp voor wierp voor
jij werpt voor wierp voor
hij, zij, het werpt voor wierp voor
wij werpen voor wierpen voor
jullie werpen voor wierpen voor
zij werpen voor wierpen voor
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had voorgeworpen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgeworpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgeworpen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgeworpen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgeworpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgeworpen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgeworpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgeworpen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben voorgeworpen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorwerpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te werpen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen werpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal werpen bijzin, toekomende tijd
voor zou werpen bijzin, voorwaardelijk
voor zouden werpen bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt werpen bijzin, voorwaardelijk
voor zullen werpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen werpen bijzin, toekomende tijd
voor zult werpen bijzin, toekomende tijd
voorgeworpen verleden tijd, deelwoord
voorgeworpen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgeworpen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorwerp bijzin, tegenwoordige tijd
voorwerpend onvoltooid, deelwoord
voorwerpt bijzin, tegenwoordige tijd
voorwierp bijzin, verleden tijd
voorwierpen bijzin, verleden tijd
werp voor gebiedende wijs
wierp voor verleden tijd
zal voorgeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorwerpen bijzin, toekomende tijd
zou voorgeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorwerpen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorwerpen voor zou(dt) werpen bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorwerpen bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorwerpen bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorwerpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorwerpen bijzin, toekomende tijd
zult voorgeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorwerpen bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorwerpen voor zult/zal werpen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord voorwerp

Herkomst

samenstelling van voor en werpen (van het Duits)

Woordfamilie van voorwerpen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
voorgeworpen voltooid deelwoord voorwerpen
voorwerpe with-subordinate-clause voorwerpen
voorwerpend onvoltooid deelwoord voorwerpen
voorwerpende woordvorm voorwerpen
voorwerpt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorwerpen
voorwierp subordinate-clause, verleden tijd voorwerpen
voorwierpen subordinate-clause, verleden tijd voorwerpen
werp voor gebiedende wijs voorwerpen
werpe voor woordvorm voorwerpen
werpen voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorwerpen
werpt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorwerpen
wierp voor verleden tijd voorwerpen
wierpen voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorwerpen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorwerpen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorwerpen

Wat betekent voorwerpen?
Voorwerpen is een werkwoord. Het woord betekent: verwijten.
Hoe vervoeg je voorwerpen?
Je vervoegt voorwerpen als volgt: het voltooid deelwoord is voorgeworpen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorwerpen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. W 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. P 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorwerpen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. W 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. P 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorwerpen in het kort

voorwerpen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van voorwerpen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort voorwerpen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

voorwerpen: verwijten
Deel voorwerpen — standaardnederlands.nl