Naar de inhoud

voorwerken

werkzaamheden verrichten ter voorbereiding op de eigenlijke bewerking

voorwerken is meer dan één woord

voorwerken

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. werkzaamheden verrichten ter voorbereiding op de eigenlijke bewerking

Vervoeging van voorwerken

voorwerkenhele werkwoord — werkte voorverleden tijd enkelvoud — werkten voorverleden tijd meervoud — voorgewerktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik werk voor werkte voor
jij werkt voor werkte voor
hij, zij, het werkt voor werkte voor
wij werken voor werkten voor
jullie werken voor werkten voor
zij werken voor werkten voor
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had voorgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben voorgewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorwerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te werken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal werken bijzin, toekomende tijd
voor zou werken bijzin, voorwaardelijk
voor zouden werken bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt werken bijzin, voorwaardelijk
voor zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen werken bijzin, toekomende tijd
voor zult werken bijzin, toekomende tijd
voorgewerkt verleden tijd, deelwoord
voorgewerkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgewerkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorwerk bijzin, tegenwoordige tijd
voorwerkend onvoltooid, deelwoord
voorwerkt bijzin, tegenwoordige tijd
voorwerkte bijzin, verleden tijd
voorwerkten bijzin, verleden tijd
werk voor gebiedende wijs
werkte voor verleden tijd
zal voorgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorwerken bijzin, toekomende tijd
zou voorgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorwerken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorwerken voor zou(dt) werken bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorwerken bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorwerken bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorwerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorwerken bijzin, toekomende tijd
zult voorgewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorwerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorwerken bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorwerken voor zult/zal werken bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord voorwerk

Herkomst

samenstelling van voor en werken

Woordfamilie van voorwerken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
voorgewerkt voltooid deelwoord voorwerken
voorwerke with-subordinate-clause voorwerken
voorwerkend onvoltooid deelwoord voorwerken
voorwerkende woordvorm voorwerken
voorwerkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorwerken
voorwerkte subordinate-clause, verleden tijd voorwerken
voorwerkten subordinate-clause, verleden tijd voorwerken
werk voor gebiedende wijs voorwerken
werke voor woordvorm voorwerken
werken voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorwerken
werkt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorwerken
werkte voor verleden tijd voorwerken
werkten voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorwerken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorwerken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorwerken

Wat betekent voorwerken?
Voorwerken is een werkwoord. Het woord betekent: werkzaamheden verrichten ter voorbereiding op de eigenlijke bewerking.
Hoe vervoeg je voorwerken?
Je vervoegt voorwerken als volgt: het voltooid deelwoord is voorgewerkt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorwerken is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. W 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorwerken levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. W 5
  6. E 1
  7. R 2
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorwerken in het kort

voorwerken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van voorwerken zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort voorwerken bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

voorwerken: werkzaamheden verrichten ter voorbereiding op de eigenlijke bewerking
Deel voorwerken — standaardnederlands.nl