Naar de inhoud

voorvallen

bij verrassing of ongeluk gebeuren

voorvallen is meer dan één woord

voorvallen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. bij verrassing of ongeluk gebeuren

Vervoeging van voorvallen

voorvallenhele werkwoord — viel voorverleden tijd enkelvoud — vielen voorverleden tijd meervoud — voorgevallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik val voor viel voor
jij valt voor viel voor
hij, zij, het valt voor viel voor
wij vallen voor vielen voor
jullie vallen voor vielen voor
zij vallen voor vielen voor
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben voorgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is voorgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn voorgevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
val voor gebiedende wijs
viel voor verleden tijd
voor te vallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal vallen bijzin, toekomende tijd
voor zou vallen bijzin, voorwaardelijk
voor zouden vallen bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt vallen bijzin, voorwaardelijk
voor zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen vallen bijzin, toekomende tijd
voor zult vallen bijzin, toekomende tijd
voorgevallen verleden tijd, deelwoord
voorgevallen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgevallen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorval bijzin, tegenwoordige tijd
voorvallend onvoltooid, deelwoord
voorvalt bijzin, tegenwoordige tijd
voorviel bijzin, verleden tijd
voorvielen bijzin, verleden tijd
voorvielt bijzin, verleden tijd
waart voorgevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorgevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorgevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorgevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorgevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal voorgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorvallen bijzin, toekomende tijd
zijn voorgevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn voorgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voorgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorvallen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorvallen voor zou(dt) vallen bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorvallen bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorvallen bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorvallen bijzin, toekomende tijd
zult voorgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorvallen bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorvallen voor zult/zal vallen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord voorval

Herkomst

samenstelling van voor en vallen

Woordfamilie van voorvallen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
val voor gebiedende wijs voorvallen
valle voor woordvorm voorvallen
vallen voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorvallen
valt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorvallen
viel voor verleden tijd voorvallen
vielen voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorvallen
voorgevallen voltooid deelwoord voorvallen
voorvalle with-subordinate-clause voorvallen
voorvallend onvoltooid deelwoord voorvallen
voorvallende woordvorm voorvallen
voorvalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorvallen
voorviel subordinate-clause, verleden tijd voorvallen
voorvielen subordinate-clause, verleden tijd voorvallen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorvallen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorvallen

Wat is de betekenis van voorvallen?
Voorvallen is een werkwoord. De betekenis is: bij verrassing of ongeluk gebeuren.
Hoe vervoeg ik voorvallen?
Zo vervoeg je voorvallen zo: het voltooid deelwoord is voorgevallen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorvallen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. V 4
  6. A 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorvallen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. V 4
  6. A 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorvallen in het kort

voorvallen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van voorvallen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort voorvallen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

voorvallen: bij verrassing of ongeluk gebeuren
Deel voorvallen — standaardnederlands.nl