vooruitdenken
werkwoordBetekenis
- alvast denken aan later
Vervoeging van vooruitdenken
vooruitdenkenhele werkwoord — dacht vooruitverleden tijd enkelvoud — dachten vooruitverleden tijd meervoud — vooruitgedachtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | denk vooruit | dacht vooruit |
| jij | denkt vooruit | dacht vooruit |
| hij, zij, het | denkt vooruit | dacht vooruit |
| wij | denken vooruit | dachten vooruit |
| jullie | denken vooruit | dachten vooruit |
| zij | denken vooruit | dachten vooruit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dacht vooruit | verleden tijd |
| denk vooruit | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vooruitgedacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vooruitgedacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vooruitgedacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vooruitgedacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vooruitgedacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vooruitgedacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vooruitgedacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vooruitgedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vooruitgedacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vooruitgedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vooruitgedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vooruitgedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vooruitgedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vooruitgedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vooruitgedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vooruitgedacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vooruitdenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruit te denken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vooruit te zullen denken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruit zal denken | bijzin, toekomende tijd |
| vooruit zou denken | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zouden denken | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zoudt denken | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zullen denken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruit zullen denken | bijzin, toekomende tijd |
| vooruit zult denken | bijzin, toekomende tijd |
| vooruitdacht | bijzin, verleden tijd |
| vooruitdachten | bijzin, verleden tijd |
| vooruitdenk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vooruitdenkend | onvoltooid, deelwoord |
| vooruitdenkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vooruitgedacht | verleden tijd, deelwoord |
| vooruitgedacht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruitgedacht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zal vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vooruitdenken | bijzin, toekomende tijd |
| zal vooruitgedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vooruitgedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vooruitgedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vooruitdenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou vooruitgedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vooruitgedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vooruitgedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) vooruitdenken vooruit zou(dt) denken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vooruitdenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vooruitgedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vooruitgedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vooruitgedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vooruitdenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vooruitgedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen vooruitdenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vooruitdenken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen vooruitgedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vooruitgedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vooruitgedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult vooruitdenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vooruitdenken | bijzin, toekomende tijd |
| zult vooruitgedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal vooruitdenken vooruit zult/zal denken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vooruit en denken
Woordfamilie van vooruitdenken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dacht vooruit | verleden tijd | vooruitdenken |
| dachten vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vooruitdenken |
| denk vooruit | gebiedende wijs | vooruitdenken |
| denke vooruit | woordvorm | vooruitdenken |
| denken vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vooruitdenken |
| denkt vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vooruitdenken |
| vooruitdacht | subordinate-clause, verleden tijd | vooruitdenken |
| vooruitdachten | subordinate-clause, verleden tijd | vooruitdenken |
| vooruitdenk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitdenken |
| vooruitdenke | with-subordinate-clause | vooruitdenken |
| vooruitdenkend | onvoltooid deelwoord | vooruitdenken |
| vooruitdenkende | woordvorm | vooruitdenken |
| vooruitdenkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitdenken |
| vooruitgedacht | voltooid deelwoord | vooruitdenken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vooruitdenken zijn vastgelegd.