voorrijden
werkwoordBetekenis
- vooraan rijden
- voor de deur komen met een voertuig
Vervoeging van voorrijden
voorrijdenhele werkwoord — reed voorverleden tijd enkelvoud — reden voorverleden tijd meervoud — voorgeredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij voor | reed voor |
| jij | rijdt voor | reed voor |
| hij, zij, het | rijdt voor | reed voor |
| wij | rijden voor | reden voor |
| jullie | rijden voor | reden voor |
| zij | rijden voor | reden voor |
Alle 84 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is voorgereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgereden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgereden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgereden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgereden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgereden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgereden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reed voor | verleden tijd |
| rij voor | gebiedende wijs |
| rijd voor | gebiedende wijs |
| te hebben voorgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen rijden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult rijden | bijzin, toekomende tijd |
| voorgereden | verleden tijd, deelwoord |
| voorgereden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgereden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorreden | bijzin, verleden tijd |
| voorreed | bijzin, verleden tijd |
| voorrij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| voorrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal voorgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zou voorgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorrijden voor zou(dt) rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal voorrijden voor zult/zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voor en rijden
Woordfamilie van voorrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| reden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorrijden |
| reed voor | verleden tijd | voorrijden |
| rij voor | gebiedende wijs | voorrijden |
| rijd voor | gebiedende wijs | voorrijden |
| rijde voor | woordvorm | voorrijden |
| rijden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorrijden |
| rijdt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorrijden |
| voorgereden | voltooid deelwoord | voorrijden |
| voorreden | subordinate-clause, verleden tijd | voorrijden |
| voorreed | subordinate-clause, verleden tijd | voorrijden |
| voorrij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorrijden |
| voorrijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorrijden |
| voorrijde | with-subordinate-clause | voorrijden |
| voorrijdend | onvoltooid deelwoord | voorrijden |
| voorrijdende | woordvorm | voorrijden |
| voorrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorrijden zijn vastgelegd.