Naar de inhoud

voorliggen

vergeleken met anderen verder gevorderd zijn, een voorsprong hebben, een plaats hebben waar iets anders achter ligt

voorliggen

werkwoord /ˈvorlɪɣə(n)/

Betekenis

  1. vergeleken met anderen verder gevorderd zijn, een voorsprong hebben, een plaats hebben waar iets anders achter ligt
  2. ter behandeling voorgelegd zijn, onder ogen komen

Hoe spreek je voorliggen uit?

/ˈvorlɪxən/

Voorliggen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈvorlɪxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
o boot
r rood
l land
ɪ pit
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van voorliggen

voorliggenhele werkwoord — lag voorverleden tijd enkelvoud — lagen voorverleden tijd meervoud — voorgelegenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lig voor lag voor
jij ligt voor laagt voor
hij, zij, het ligt voor lag voor
wij liggen voor lagen voor
jullie liggen voor lagen voor
zij liggen voor lagen voor
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had voorgelegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgelegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgelegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgelegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgelegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
lag voor verleden tijd
lig voor gebiedende wijs
te hebben voorgelegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorliggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te liggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen liggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal liggen bijzin, toekomende tijd
voor zou liggen bijzin, voorwaardelijk
voor zouden liggen bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt liggen bijzin, voorwaardelijk
voor zullen liggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen liggen bijzin, toekomende tijd
voor zult liggen bijzin, toekomende tijd
voorgelegen verleden tijd, deelwoord
voorgelegen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgelegen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorlaagt bijzin, verleden tijd
voorlag bijzin, verleden tijd
voorlagen bijzin, verleden tijd
voorlig bijzin, tegenwoordige tijd
voorliggend onvoltooid, deelwoord
voorligt bijzin, tegenwoordige tijd
zal voorgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorliggen bijzin, toekomende tijd
zou voorgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorliggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorliggen voor zou(dt) liggen bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorliggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorliggen bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorliggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorliggen bijzin, toekomende tijd
zult voorgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorliggen bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorliggen voor zult/zal liggen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van voor bw en liggen ww , [2] misschien ook onder invloed van Duits vorliegen

Woordfamilie van voorliggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
lag voor verleden tijd voorliggen
lagen voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorliggen
lig voor gebiedende wijs voorliggen
ligge voor woordvorm voorliggen
liggen voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorliggen
ligt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorliggen
voorgelegen voltooid deelwoord voorliggen
voorlag subordinate-clause, verleden tijd voorliggen
voorlagen subordinate-clause, verleden tijd voorliggen
voorlig subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorliggen
voorligge with-subordinate-clause voorliggen
voorliggend onvoltooid deelwoord voorliggen
voorliggende woordvorm voorliggen
voorligt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorliggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorliggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorliggen

Hoe spreek je voorliggen uit?
De uitspraak van voorliggen is: /ˈvorlɪɣə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent voorliggen?
Voorliggen is een werkwoord. Het woord betekent: vergeleken met anderen verder gevorderd zijn, een voorsprong hebben, een plaats hebben waar iets anders achter ligt. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je voorliggen?
Je vervoegt voorliggen als volgt: het voltooid deelwoord is voorgelegen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorliggen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. L 3
  6. I 1
  7. G 3
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorliggen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. L 3
  6. I 2
  7. G 3
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorliggen in het kort

voorliggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van voorliggen zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort voorliggen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

voorliggen: vergeleken met anderen verder gevorderd zijn, een voorsprong hebben, een plaats hebben waar iets anders achter ligt
Deel voorliggen — standaardnederlands.nl