voorlezen
werkwoord ˈvorlezə(n)Betekenis
- hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
Hoe spreek je voorlezen uit?
/ˈvorlezən/
Voorlezen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| l | land |
| e | veel |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van voorlezen
voorlezenhele werkwoord — las voorverleden tijd enkelvoud — lazen voorverleden tijd meervoud — voorgelezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lees voor | las voor |
| jij | leest voor | laast voor |
| hij, zij, het | leest voor | las voor |
| wij | lezen voor | lazen voor |
| jullie | lezen voor | lazen voor |
| zij | lezen voor | lazen voor |
Alle 169 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is voorgelezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgelezen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgelezen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgelezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgelezen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgelezen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgelezen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgelezen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgelezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had voorgelezen gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgelezen gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgelezen gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgelezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgelezen gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgelezen gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgelezen gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt voorgelezen gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb voorgelezen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgelezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben voorgelezen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgelezen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgelezen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt voorgelezen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft voorgelezen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgelezen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| kreeg voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| kreeg voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kreegt voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kregen voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| kregen voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| kregen voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| krijg voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| krijgen voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| krijgen voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| krijgen voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krijgt voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| krijgt voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| las voor | verleden tijd |
| lees voor | gebiedende wijs |
| te hebben voorgelezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorlezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te lezen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen lezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal lezen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen lezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen lezen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult lezen | bijzin, toekomende tijd |
| voorgelezen | verleden tijd, deelwoord |
| voorgelezen gekregen hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgelezen gekregen te hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgelezen gekregen te zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgelezen gekregen zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgelezen krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgelezen te krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgelezen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgelezen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgelezen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgelezen te zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgelezen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgelezen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgelezen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgelezen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgelezen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgelezen zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgelezen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgelezen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorlaast | bijzin, verleden tijd |
| voorlas | bijzin, verleden tijd |
| voorlazen | bijzin, verleden tijd |
| voorlees | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorleest | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorlezend | onvoltooid, deelwoord |
| waren voorgelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgelezen gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgelezen gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgelezen krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgelezen krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgelezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorlezen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou voorgelezen gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgelezen gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgelezen gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgelezen krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgelezen krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorgelezen krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorgelezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorlezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorlezen voor zou(dt) lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgelezen gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgelezen gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgelezen gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgelezen krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorgelezen krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorgelezen krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgelezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van voor bw en lezen ww
Woordfamilie van voorlezen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| las voor | verleden tijd | voorlezen |
| lazen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorlezen |
| lees voor | gebiedende wijs | voorlezen |
| leest voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorlezen |
| leze voor | woordvorm | voorlezen |
| lezen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorlezen |
| voorgelezen | voltooid deelwoord | voorlezen |
| voorlas | subordinate-clause, verleden tijd | voorlezen |
| voorlazen | subordinate-clause, verleden tijd | voorlezen |
| voorlees | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorlezen |
| voorleest | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorlezen |
| voorleze | with-subordinate-clause | voorlezen |
| voorlezend | onvoltooid deelwoord | voorlezen |
| voorlezende | woordvorm | voorlezen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorlezen zijn vastgelegd.