voorleggen
werkwoordBetekenis
- voor iemand neerleggen
- aan iemands oordeel onderwerpen
Vervoeging van voorleggen
voorleggenhele werkwoord — legde voorverleden tijd enkelvoud — legden voorverleden tijd meervoud — voorgelegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leg voor | legde voor |
| jij | legt voor | legde voor |
| hij, zij, het | legt voor | legde voor |
| wij | leggen voor | legden voor |
| jullie | leggen voor | legden voor |
| zij | leggen voor | legden voor |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voorgelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgelegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgelegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgelegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgelegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgelegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgelegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgelegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leg voor | gebiedende wijs |
| legde voor | verleden tijd |
| te hebben voorgelegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te leggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal leggen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen leggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen leggen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult leggen | bijzin, toekomende tijd |
| voorgelegd | verleden tijd, deelwoord |
| voorgelegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgelegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgelegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgelegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgelegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgelegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgelegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgelegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgelegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgelegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorleg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorlegde | bijzin, verleden tijd |
| voorlegden | bijzin, verleden tijd |
| voorleggend | onvoltooid, deelwoord |
| voorlegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart voorgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgelegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorgelegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorgelegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voorgelegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal voorgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorgelegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorleggen voor zou(dt) leggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgelegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgelegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorleggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorgelegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgelegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorleggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorleggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorleggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgelegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van voor en leggen
Woordfamilie van voorleggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leg voor | gebiedende wijs | voorleggen |
| legde voor | verleden tijd | voorleggen |
| legden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorleggen |
| legge voor | woordvorm | voorleggen |
| leggen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorleggen |
| legt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorleggen |
| voorgelegd | voltooid deelwoord | voorleggen |
| voorleg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorleggen |
| voorlegde | subordinate-clause, verleden tijd | voorleggen |
| voorlegden | subordinate-clause, verleden tijd | voorleggen |
| voorlegge | with-subordinate-clause | voorleggen |
| voorleggend | onvoltooid deelwoord | voorleggen |
| voorleggende | woordvorm | voorleggen |
| voorlegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorleggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorleggen zijn vastgelegd.