Naar de inhoud

voorhebben

van plan zijn, voornemens zijn

voorhebben

werkwoord ˈvorhɛbə(n)

Betekenis

  1. van plan zijn, voornemens zijn

Hoe spreek je voorhebben uit?

/ˈvorhɛbən/

Voorhebben bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈvorhɛbən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
o boot
r rood
h hoed
ɛ bed
b bak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. van plan zijn, voornemens zijn om transitive
  2. geconfronteerd worden met, te maken krijgen met transitive

Vervoeging van voorhebben

voorhebbenhele werkwoord — had voorverleden tijd enkelvoud — hadden voorverleden tijd meervoud — voorgehadvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik heb voor had voor
jij hebt voor (hadt voor)
hij, zij, het heeft voor had voor
wij hebben voor hadden voor
jullie hebben voor hadden voor
zij hebben voor hadden voor
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had voor verleden tijd
had voorgehad voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgehad voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgehad voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgehad voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgehad voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgehad voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgehad voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voor gebiedende wijs
heb voorgehad voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgehad actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgehad voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgehad voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgehad voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgehad voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgehad voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgehad voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben voorgehad actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorhebben actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te hebben actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen hebben actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal hebben bijzin, toekomende tijd
voor zou hebben bijzin, voorwaardelijk
voor zouden hebben bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt hebben bijzin, voorwaardelijk
voor zullen hebben actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen hebben bijzin, toekomende tijd
voor zult hebben bijzin, toekomende tijd
voorgehad verleden tijd, deelwoord
voorgehad te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgehad zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorhad bijzin, verleden tijd
voorhadden bijzin, verleden tijd
voorhadt bijzin, verleden tijd
voorheb bijzin, tegenwoordige tijd
voorhebbend onvoltooid, deelwoord
voorhebt bijzin, tegenwoordige tijd
voorheeft bijzin, tegenwoordige tijd
zal voorgehad hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgehad hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgehad hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorhebben bijzin, toekomende tijd
zou voorgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorhebben bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorhebben voor zou(dt) hebben bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorhebben bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorhebben bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgehad hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgehad hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgehad hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorhebben actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorhebben bijzin, toekomende tijd
zult voorgehad hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorhebben bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorhebben voor zult/zal hebben bijzin, toekomende tijd

Herkomst

van Middelnederlands vorehebben, op te vatten als samenstelling van voor bw en hebben ww

Woordfamilie van voorhebben

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hebbe voor woordvorm voorhebben
voorgehad voltooid deelwoord voorhebben
voorhebbe with-subordinate-clause voorhebben
voorhebbend onvoltooid deelwoord voorhebben
voorhebbende woordvorm voorhebben

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorhebben zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over voorhebben

Hoe spreek ik voorhebben uit?
Zo spreek je voorhebben uit: /ˈvorhɛbə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van voorhebben?
Voorhebben is een werkwoord. De betekenis is: van plan zijn, voornemens zijn. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik voorhebben?
Zo vervoeg je voorhebben zo: het voltooid deelwoord is voorgehad. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorhebben is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. H 4
  6. E 1
  7. B 3
  8. B 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorhebben levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. H 4
  6. E 1
  7. B 4
  8. B 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorhebben in het kort

voorhebben staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van voorhebben staan er 49 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort voorhebben bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

voorhebben: van plan zijn, voornemens zijn
Deel voorhebben — standaardnederlands.nl