vollen
werkwoordBetekenis
- het maken van vilt door langdurig de wol te slaan
Vervoeging van vollen
vollenhele werkwoord — voldeverleden tijd enkelvoud — voldenverleden tijd meervoud — gevoldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vol | volde |
| jij | volt | volde |
| hij, zij, het | volt | volde |
| wij | vollen | volden |
| jullie | vollen | volden |
| zij | vollen | volden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gevold | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevold | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevold | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevold | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevold worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevold zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevold worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevold zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevold | verleden tijd, deelwoord |
| gevold te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevold zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vollen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vollen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vol | gebiedende wijs |
| volde | verleden tijd |
| volle | aanvoegende wijs |
| vollend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vollen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vollen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vollen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘wol bewerken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1276
Woordfamilie van vollen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevold | voltooid deelwoord | vollen |
| gevolde | woordvorm | vollen |
| volde | verleden tijd | vollen |
| volden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vollen |
| vollend | onvoltooid deelwoord | vollen |
| vollende | woordvorm | vollen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vollen zijn vastgelegd.